Geographisch

Geographisch-woordenboek

Gepubliceerd op 21-10-2021

Anglicaansche kerk

betekenis & definitie

of engelsche Episcopale Kerk, heet de staatskerk in Groot-Britannië en Ierland. Hendrik VIII (koning van 1509 tot 1547), die 1522, door de bestrijding van Luthers geschrift over de babylonische gevangenschap, van den paus den eernaam »Verdediger des geloofs” {Defensor fidei) had ontvangen, kon later van den pauselijken Stoel geen vergunning bekomen om van zijnegemalin Catharina van Aragonié wettig te scheiden en in het huwelijk te tredeh met de hofdame Anna Boleyn.

De koning trad met deze dame in den echt 1533, verkondigde 1534 opentlijk, dat de engelsche Kerk niet meer onderworpen was aan den paus, en verhief zich zelven tot haar geestelijk opperhoofd. In alles wat ten dien opzigte verrigt werd, volgde de koning deels zijne eigene theologische vorming, deels den raad van Thomas Cranmer. Na Hendrik’s dood zette Cranmerhet werk der hervorming verderdoor, inzonderheid door het opstellen van eene nieuwe liturgie (Book of common prayer, 1549) en van eene nieuwe, op de leest der gereformeerde beginselen geschoeide geloofsbelijdenis. Onder de regering van koningin Elizabeth (1558 tol 1603) werd het protestantismus in Engeland bestendigd. De kerkelijke, in calvinistischen zin opgestelde belijdenis is vervat in de 39 artikelen, die 1562 op eene synode te Londen aangenomen en 1571 bij eene parlements-acte erkend werden. Kerkregeling en ritus geven aan de anglicaansche Kerk een geheel bijzonder karakter. De koning is het opperhoofd der Kerk; de onder hem staande bisschoppen zijn de hoofden der Kerk en de eerste baronnen des Rijks. De hooge geestelijkheid bestaat uit 2 aartsbisschoppen (van Canterbury en van York) en 25 bisschoppen. Buiten de staatskerk hebben zich verscheidene partijen gevormd, die hoofdzakelijk in kerkregeling en liturgie van haar verschillen: die allen worden aangeduid onder den gemeenschappelijken naam van Nonconformisten of Dissenters. De bisschoppelijke raagt der hooge geestelijkheid geeft aan de anglicaansche Kerk een katholiserend karakter, dat niet zonder invloed is op de in onze eeuw van tijd tot tijd plaats grijpende overgangen tot de roomsch-katholieke Kerk; en omstreeks de helft dezer 19e eeuw heeft de paus Engeland ingedeeld in 8 diocesen, en in 1850 eenen kardinaal-bisschop benoemd over de roomsch-katholiek-engelsche Kerk.