Maar betekenis & definitie

Oud-Germaans voor heks; mare, nachtmerrie, angstdroom, van de maar bereden zijn. Het gevaar van de afdwalende ziel (animisme) waardoor een drachtige merrie niet de dodenwagen mocht trekken, en het voorbereiden van het onwetende dier op zijn gevaarvolle taak, waren oorzaak dat in West-Vlaanderen de boever (paardenknecht) de paarden reeds de avond tevoren in het oor fluisterde dat ze een dode moesten wegbrengen.

In oostelijk Zeeuws-Vlaanderen en in het aangrenzende Belgisch-Vlaanderen zou een boer die deze dienst uit naastenliefde verrichtte, zeker niet zijn erfzijn afgereden zonder eerst het paard dat voorgespannen werd een kruis met wijwater en een palmtak op het voorhoofd te tekenen.

In een van de gedichten uit zijn bundel 'Kerkhotblommen' (1858) beschrijft Guido Gezelle een boerenbegrafenis in Vlaanderen, waarin het influisteren van de dood en het zegenen van de paarden voorkomt: 'Stap voor stap, zoo gaan de peerden, langzaam, treurig, stille en stom, en zij kijken, of 't hun deerde, dikwijls naar hun 'meester om; naar hun 'meester, die te morgen zijn beminde peerdenpaar, onder 'kammen en 't bezorgen, zei de droeve nieuwemaar. 'Baai', zoo sprak hij, 'Baai en Blesse, heden moeten ... stille, fraai! (braaf) moeten wij naar de uitvaartmesse, met de wagen, Blesse en Baai!'. En toen, na zijn hand te doppen in 't gewijde water klaar, zegent hij de hooge koppen van 't onachtzaam peerdenpaar. En hij kust en kruist ze beiden, 'en gij', zegt hij, 'Blesse en Baai, moet een lijk naar 't kerkhof leiden, Baai en Blesse, stille fraai! Schuimend zoudt ge en Jastig zweeten, Zo 'k U zonder wete liet van de mare, en zoudt verheeten, (= het heet krijgen-koorts) Gave ik u den zegen niet/'3 zie ook: animisme, paard.