Ensie 1947

Ensie deel 2, 1947, Anton Reichling S.J. en J.S. Witsenelias.

Gepubliceerd op 30-05-2019

2019-05-30

Literatuur (Spaanse, Portugese en Latijns-Amerikaanse - na 1500)

betekenis & definitie

In 1927 vraagt de Duitse romanist Klemperer zich af: ‘Gibt es eine spanische Renaissance?’ In hetzelfde jaar verschijnt Wantochs boekje: ‘Spanien, das land ohne Renaissance’. Vijf jaar later sturen onze landgenoten G.

J. Geers en de diep betreurde J.

Brouwer hun mooi, oorspronkelijk werk ‘De Renaissance in Spanje’ de wereld in.Biedt Sp. omtreeks 1500 in zijn levensvormen, in zijn wetenschappen, zijn kunst, en wat ons hier in het bijzonder aangaat, in zijn letterkunde, een soortgelijk beeld als het Italië, het Frankrijk dier dagen? In vele opzichten zeer zeker. Denken wij aan de studie der classieke talen en haar letterkunde. Weliswaar werden deze in het middeleeuwse Sp. nooit geheel verwaarloosd (Alfons de Wijze en de beroemde Toledaanse vertalersschool), en in de 15de eeuw zagen wij de belangstelling groeien. Aan humanisten ontbreekt het Sp. niet. Juan Luis Vives (1492-1540), Erasmus’ vriend, die lange jaren in de Nederlanden leefde en hoogleraar aan de Leuvense universiteit geweest is, schrijft een omvangrijken gevarieerd oeuvre in het Latijn. Hecht zijn de culturele banden met Italië. Sp. beheerst immers het gehele Z. van het Apennijnse schiereiland en spoedig ook Milaan; machtige invloed oefent het op de pausen. Bovendien zijn de Borgia’s Spanjaarden (het Valenciaanse geslacht Borja). De scheppers der Sp. toneelliteratuur: Juan del Encina (ca 1468-ca 1529) en Bartolomé de Ton es Naharro (overl. ca 1531) verblijven lang in de pausenstad; It. geleerden als Lucio Marineo Siculo en Pedro Martir de Anghiera worden de opvoeders van heel een aristocratische Sp. jeugd. Sterk is de invloed van Petrarca (vooral in diens Latijnse werken), Bembo, Tasso (vader en zoon), Ariosto. Erasmus heeft op het Iberisch schiereiland veel adepten; bijna al zijn werken worden in het Sp. vertaald; in de samenspraken van Alfonso de Valdés (overl. 1532) en in die van zijn broeder Juan de Valdés (overl. 1541), en in de dramatische werken van de tweetalige Portugees Gil Vicente (ca 1470-ca 1539) voelen wij Erasmus’ levensvisie. Nieuw ontluikende liefde en bewondering voor de landstaal is, als het kan, in Sp. sterker en ontroerender nog dan in andere landen. De eerste spraakkunst van een moderne taal is de Sp. van Antonio de Nebrija (1492). In niets is het Sp. de mindere van de door hem zo beheerste classieke talen, en is het niet voorbestemd om, nu de Nieuwe Wereld ontdekt en voor de koningin van Castilië veroverd wordt, wereldtaal te worden? Zelfs theologen als Fray Luis de León (15271591) en Fray Luis de Granada (1504-1588) schrijven een groot gedeelte hunner werken in de landstaal. Het volk moet immers in zijn brede lagen bereikt! Maar het Sp. is niet meer ‘vulgar’, zoals het in de M.E. enigszins smalend heette. Hun werken maken zij bewust tot woordscheppingen, gelijkwaardig aan die der classieken. Juan Boscan (overl. 1542) en Garcilaso de la Vega (ca 1501-ca 1536) voeren de It. metra in de Sp. dichtkunst in. Verlustiging in eigen volkswijsheid, in de enorme schat van spreekwoorden, die in de meeste landen pas in de Renaissancetijd ontstaat, kennen de Sp. M.E. reeds. Denk eens aan Juan Ruiz, de aartspriester van Hita en aan de markies van Santillana! Maar thans zien verzamelingen van verschillende duizenden refranes het licht (Hernan Núnez, Gonzalo Correas, Sebastian de Horozco). En toch . . . daar is de inquisitie, tot een geweldige macht aangroeiend; daar is de innerlijk versterkte katholieke kerk en haar instellingen, de enorme uitbreiding der kloosterbevolkingen, en op het gebied der letterkunde de bloei der middeleeuwse romances, het ontstaan en de wonderlijke opbloei der mystiek met hoogtepunten als Santa Teresa en San Juan de la Cruz; daar is, onmiddellijk na Erasmus’ dood, het verbod van de circulatie zijner werken. Met Filips II komt het verbod buitenlandse boeken in te voeren, in het buitenland te studeren, later nog het opvoeren van profane toneelstukken ... De Sp. mens neemt gretig op wat de wereld hem aan nieuws biedt, maar blijft zichzelf, de eeuwen door. Hij heeft gekozen. Hij is de ridder, de monnik, de prediker en de soldaat.

In enkele zijner grootste geesten zal de fusie van de middeleeuwse Spanjaard en de renaissancemens tot stand komen. Het zijn Fray Luis de León met zijn ‘Van de namen van Christus’ en Cervantes met zijn ‘Don Quijote’.

Die fusie is nog niet bereikt in de ‘Celestina’ (1499), waarin beide culturen elkaar ontmoeten, maar onwennig naast elkaar blijven staan. Platonische liefde en laaiende lichamelijke hartstocht, hoofse taal en classieke eruditie naast schunnige toespelingen en vuilbekkerij.

De jonge student Fernando de Rojas (overl.ca 1538), zoon van door dwang gedoopte Joodse ouders, heeft in zijn paar vacantieweekjes een meesterstuk voltooid; wel is zijn kennis der Oudheid nog niet bezonken en loopt hij er wat mee te koop, maar hij kende zijn Aristoteles, zijn Terentius en zijn landsbroeder Seneca. Het meest bewonderen wij in de met zijn 21 bedrijven onopvoerbare tragicomedie de taal, rijk en vlot, maar ook de levenswijsheid, die spreekt uit de mond van de oude koppelaarster Celestina. Wat al problemen stelt ons dit boek: recht van de jeugd zich uit te leven, het recht op zelfmoord, het recht op levensonderhoud voor armen en ouden, de verhouding tussen heer en knecht, ja, ik zou haast zeggen de klassenstrijd. Een diep pessimisme zonder uitzicht ligt over de oude koppelaarster, vroeger gevleid door edellieden en prelaten, thans versmaad en veracht. Cynisch is haar taal, eigenbaat de drijfveer van haar leven; ze geniet nog een beetje mee van de liefdesavonturen harer jonge pupillen. Ze huichelt alle gevoelens, ook de godsdienstige; beu is ze van alles, geloven doet ze aan niets meer.. . Ramiro de Maeztu heeft in haar de belichaming gezien van het vertrapte en huichelende Sp. cryptojodendom dier dagen. A quoi bon? Jood blijft Jood, doop ten spijt. Zei het niet Rojas’ oudere tijdgenoot, de gedoopte Cordobese kleermaker-dichter Antón de Montoro (1404-ca 1480), op het eind van zijn kommervol bestaan, ternauwernood aan een pogrom op gedoopte Joden ontkomen: ‘Mijn leven lang heb ik de Godmens als mijn Hoge Heer gediend; toch behield ik steeds de naam van oude vuile Jood’.

Nu eens de pen, dan weer de degen ... Het was moeilijk één der beide wegen te kiezen, die der wapenen of die der letteren, waarover Don Quijote zo gezapig peroreert.

Garcilaso de la Vega, die bij de bestorming van het kasteel Muy in het Z. van Frankrijk zijn kostbaar leven voor zijn keizer op het spel zet en verliest (1536) en in wiens verfijnde liefdespoëzie maar hoogst zelden de held te raden is; Hernando de Acuha (ca 1500-1580), die in zijn sonnet ‘Aan de Koning, onze Heer’, de komende wereldheerschappij van Filips II, el Prudente, zoals de Spanjaarden hem noemen, voorspelt. Bezeten van Sp. trots klinkt het: Eén Monarch, één Rijk, één Zwaard; Gutierre de Cetina (ca 1520-ca 1557), de verfijnde dichter van het madrigaal: ‘Klare heldere ogen’, die na een avontuurlijk krijgsmansbestaan in de Nieuwe Wereld in een duel met een jaloerse minnaar de dood vindt; Diego Hurtado de Mendoza (ca 15031575), die een lang leven de césar diende en door Filips II voor straf (hij had de strenge paleisetikette geschonden, en nog wel in de droeve dagen, dat ’s konings oudste zoon, de ongelukkige Don Carlos, lag te zieltogen) naar Granada gezonden wordt, om mee te helpen de opstand der ongelukkige Moriscos te bedwingen; Juan Rufo (1547na 1620), die Lepanto (1571) meemaakt en zijn vlootvoogd Don Juan van Oostenrijk in zijn ‘Austriada’ (1584) bezingt; Alonso de Ercilla (1533-ca 1594), die in harde gevechten Chili voor de Sp. kroon helpt veroveren en dan de verslagen Araucanen in zijn ‘Araucana’ een monument sticht; en dan die twee héél grote: Cervantes en Lope de Vega. . . Veel, heel veel zonen en dochteren stonden de kroostrijke Sp. gezinnen aan de Kerk af. Het majoraat dwong de segundones (de tweede en volgende zoons) van de adellijke hidalgos en caballeros de geestelijke loopbaan welhaast op, daar handwerk en handel hun verboden was; bij anderen zal luiheid de drijfveer geweest zijn, maar bij tallozen, roeping, innige vroomheid, die haar uiting gevonden heeft in een grandioze massa gewijde lyriek en proza, die haar weerga in geen tijdperk, in geen taal en in geen land ter wereld gehad heeft. In verrukking zendt de hartstochtelijke Spanjaard zijn liefde tot de godheid hemelwaarts.

Fray Luis de León (1527-1591), bezonken maar fel, begenadigd dichter en wijze, schept, na heel de bijbelse en wereldse Oudheid in zich opgezogen te hebben, zijn prachtige oden en ciseleert in proza zijn ‘Van de namen van Christus’. Dit is de ware renaissancemens, maar zonder de wereldse onbekommerdheid der Italianen en Fransen; hij is de ernstige, de vrome, die al het schone: de natuur, de nacht (wonderlijk voor een 16de-eeuwer), de muziek, de taal geniet, en dat alles als schepping Gods, die naar de dood verlangt om dan geheel op te gaan in het beleven van de heerlijkheid Gods . . . Als weinigen heeft hij de Bijbel geproefd en genoten; zijn vermetelheid om het Hooglied en Job te vertalen en ook zijn vrijmoedig geuite critiek op enkele punten der Vulgaat heeft hij met vijf jaar inquisitiekerkerstraf moeten bekopen. Vrijgesproken hervat hij zijn colleges aan de universiteit van Salamanca met de stoïcijnse woorden: ‘Wij zeiden gisteren ...’ Afstammeling van gedoopte Joden, maar diep gelovig katholiek hijzelf, heeft hij zijn leven lang onder wantrouwen gebukt moeten gaan. Het nageslacht pas heeft in hem de heel grote erkend.

Ook Fernándo de Herrem, el Divino (ca 1534-1597), is geestelijke. Al klinken zijn patriottische oden als oudtestamentisch bazuingeschal, de ware, stille vroomheid is bij hem zoek. Deze Sevillaan heeft, evenals zijn voorbeeld Garcilaso, ook amoureuze gedichten gewijd aan een vrouw, die een ander verkoor. Bij hem, in tegenstelling tot de serene rust der zacht vlietende melodieuze perioden van Fray Luis, gewrongenheid, hoogdravendheid. Als Juan de Mena in de 15de eeuw, grijpt hij naar het Latijn terug. De syntaxis wordt geweld aangedaan, de woordenschat met classieke woorden aangevuld om toch de wereld maar kond te doen, dat het Sp. de waardige dochter van haar moeder is. De weg naar het culteranismo (culto = beschaafd, geletterd; maniëristische richting) staat open . Onmatigheid in sier, ze is de Spanjaard eigen. Ook in het proza dringt, verre vóór zijn aankondiging in andere landen, het barok door. Fray Antonio de Guevara (ca 14801545) schept zich een stijl, rijk aan krullen van woord en geest; gehele hoofdstukken bestaan uit series tegenstellingen; hele alinea’s zijn spel met woorden en begrippen. Maar geen Sp. boeken waren zó over heel Europa verbreid, in zoveel talen vertaald als zijn ‘Marcus Aurelius’ en zijn ‘Gulden brieven’.

Dichter in proza ook die vriendelijke, haast kinderlijke dominicaan Fray Luis de Granada (1504-1588), vol liefde voor Gods schepping, die hem een bewijsstuk is voor de grootheid van zijn Heer. Zijn ‘Boek van het gebed en de meditatie’, zijn ‘Gids der zondaren’, zijn ‘Inleiding tot het symbool des geloofs’, zijn eeuwenlang in Sp., en in vertaling ook in andere Europese landen, bronnen van stichting en geestelijk genot geweest.

De stroom mystische en ascetische geschriften in het 16de-eeuwse Sp. is onafzienbaar. De drang naar hervorming werd afgeleid in een verdieping van het katholieke geloof, een reiniging van binnenuit. De hoogtepunten zijn Fray Juan de los Angeles, (1536-1609), fijnzinnig stilist en psycholoog, in wiens hoofdwerk ‘De geestelijke en liefdevolle strijd tussen God en de ziel’ (1600) de invloed van de Ned. mystiek, vooral van Ruusbroec, duidelijk te herkennen is; Juan de Avila (ca 1500-1569) wiens tractaot ‘Audi filia et vide’ (1560) niet weinig heeft bijgedragen tot de inspiratie van Santa Teresa, van San Juan de la Cruz en van de H. Ignatius van Loyola. De toppen der mystiek zijn in de poëzie het anonieme sonnet ‘Aan de gekruisigde Christus’ en de zangen van San Juan de la Cruz (15421591), in het proza de werken van Santa Teresa de Jesús (1515-1582). Is het te geloven, dat de geïnspireerde en gepassionneerde dichter van ‘Het geestelijk lied’ en van ‘De bestijging van de berg Karmel’ de schrijver is van de droog-theologische commentaren dezer zangen? Kunstenaar en geleerde, en bovendien de energieke hervormer der karmelietenorde, steun der H. Theresia. Is het te geloven ook, dat dezelfde energieke vrouw, die van haar vechten tegen de bierkaai vertelt in ‘Het boek der stichtingen’, de extatische zieneres is van ‘Het innerlijke kasteel’ of ‘De woningen’ (1588)? Spontaneïteit en eerlijkheid, de eenvoudige Sp. vrouw eigen, spreken uit haar onopgesmukte boeken, die zij zeker niet uit ijdelheid, maar op bevel der kerkelijke autoriteiten en tot lering harer nonnen neergeschreven heeft.

Te bescheiden om zelf haar werk ten druk te geven, deed Fray Luis de Léon dit na haar verscheiden. Fray Luis zelf heeft er ook niet toe kunnen komen, zijn eigen prachtige gedichten de drukpers toe te vertrouwen, dit was de 17de-eeuwse Quevedo voorbehouden. En Quevedo, één van Spanjes grootste geesten, heeft zijn gedichten ook aan de vergetelheid prijs gegeven; een vriend en een neef hebben ze, jaren na zijn dood, openbaar gemaakt. De Spanjaard is individualist, maar eigen roem streeft hij niet na; hij voelt zich deel vormen van het Sp. geheel; het doet er niet toe wie nu in het bijzonder dit of dat gedicht, dit of dat toneelstuk geschreven heeft. Alle Spanjaarden waren homogeen in gedachten, gevoelens en idealen.

Improvisatoren, dat zijn ze voor het grootste gedeelte, de Sp. schrijvers, en niet alleen die bijeenflansers van eindeloze reeksen ridderavonturen, maar ook de grootste, ook Cervantes en ook Lope de Vega. De geniale ‘Don Quijote’, vooral in zijn' eerste deel (1605), vertoont alle tekenen van een niet tevoren rijp overdacht, maar spontaan neergeschreven werk. Vermoedelijk was Miguel de Cervantes Saavedra (1547-1616) zich ook niet bewust, welk een meesterwerk hij tot stand had gebracht; bescheidenlijk meende hij, zijn tijdgenoten wat vermaakt te hebben, en de toenmalige wereld zag ook in het boek niets anders dan stof tot lachen; zij las het zoals onze kinderen thans de bewerking lezen. Pas de Romantiek zag het tragische van de windmolens bestormende held en voelde de symboliek, die achter de hoofdpersoon steekt. Wij weten nu dat Don Quijote de incarnatie van de ideale Sp. mens is: de ridder, de conquistador, de mysticus in één persoon verenigd; mensen als hij kunnen bergen verzetten, werelden veroveren. Unamuno vereert hem als een Sp. Christus, wiens grootte door Cervantes niet begrepen is. In Cervantes’ tweede deel (1615) staan de held en zijn tegenfiguur op de voorgrond; er was geen ruimte meer voor ingelaste vertellingen; Don Quijote groeit door ontgoocheling naar de practische Sancho en deze door bewondering naar zijn verheven meester toe. Is er een door een mensenbrein uitgedachte figuur zo bij gans de beschaafde mensheid levend gebleven als de Ridder der Droevige Figuur? Zelfs zijn schildknaap, zijn geliefde Dulcinea en zijn Rossinant zijn niet vergeten. Cervantes’ overige werken vallen bij dit meesterstuk in het niet. Wat zijn comedia’s betreft, niemand was er meer van overtuigd dan Cervantes zelf, dat hij hierin de mindere was van zijn jongere tijdgenoot, ‘het Monster der Natuur’ de grote Lope de Vega, die zich van de toneelmonarchie had meester gemaakt. . Lope Felix de Vega Carpio (1562-1635) was het prototype van de Spanjaard uit de Gouden Eeuw, gloeiend van liefde en eerbied voor God, zijn vorst en het eerbegrip. Bij hem niets van de scepsis, die in Cervantes’ werk nog wel eens doorsijpelt. Cervantes kon een echtbreuk nog lankmoedig met vergiffenis doen eindigen (de jaloerse Extremeno), Lope kent slechts de dood van minnaar en overspelige vrouw als straf (De straf zonder wraak). Heeft Cervantes wel eens een sneer op de eisen van raszuiverheid, Lope is dienaar (familiar) van de inquisitie. Beiden zijn soldaat, Cervantes strijdt mede bij Spanjes laatste vlootoverwinning (Lepanto, 1571), Lope keert als een der weinige overlevenden na de ondergang der Onoverwinnelijke Vloot huiswaarts (1588). Cervantes, ontgoocheld en vergeestelijkt, sluit zijn roerig leven af met het toetreden tot de derde orde van Sint Franciscus (1616); Lope besluit een wild leven van liefdesavonturen met in 1611 tot dezelfde orde toe te treden en zich in 1614 tot priester te laten wijden. Veel huiselijk leed hebben beide mannen te dragen gehad; Lope heeft ongeveer allen, die hem lief waren, vrouwen en kinderen vóór zich zien vallen. Is Cervantes’ oeuvre al eerbiedwekkend, gezien zijn werkzaam leven, waarvan nog 12 jaar in krijgsdienst en krijgsgevangenschap bij de Moren verloren gingen (1568-1580), en wiens oude dag door talrijke prozaïsche beslommeringen in beslag werd genomen om aan zijn pover broodje te komen, de omvang van Lopes oeuvre is eenvoudig wonderbaarlijk. Deze Don Juan was een hartstochtelijk lezer van theologische, juridische, historische, filosofische en letterkundige werken en heeft volgens zijn leerling Montalban 1800 toneelstukken geschreven, waarvan ons ruim een vierde deel bewaard gebleven is, en daarnaast een omvangrijke hoeveelheid niet-dramatische poëzie (heldendichten, ernstig en burlesk, lyriek, waaronder honderden verfijnd schone sonnetten en ook talloze heerlijk-eenvoudige romances in populaire trant); bovenmenselijk is het wat de Foenix zijner eeuw, zoals zijn tijdgenoten hem noemden, tot stand gebracht heeft. Maar zijn voornaamste schepping is de comedia. Met een juiste blik peilde hij de verlangens van het kieskeurige en steeds op iets nieuws beluste Sp. publiek. En hij begiftigde het met een nationaal theater, zo omvangrijk en gevarieerd, als in geen ander land een hele school van dramaturgen tot stand heeft weten te brengen. De comedia is in gevarieerde metriek gedicht, heeft drie bedrijven, kent geen eenheid van tijd en plaats, vermengt het tragische en het comische, heeft als bijna verplichte figuur de gracioso (te vergelijken met de nar uit Shakespeares stukken), heeft een ingewikkelde intrige, waarvan de ontknoping tot het eind niet te voorzien mag zijn en dit eind is meestal blij. Lope dramatiseerde de gehele Sp. geschiedenis tot die van zijn eigen tijd, de oude heidenlegenden incluis, en verder It. novellen, ridder- en herderromans, bijbelse en mythologische verhalen en ook de gebeurtenissen van de dag, deze laatste in kostelijke mantel- en degenstukken. Natuurlijk schuilt er kaf onder het koren, maar er zijn tientallen onvergankelijke meesterwerken onder. De charme vormen de nooit verloochende band met de autochthone volkskunst, die zich uit in het opnemen en bewerken van romances en volkswijzen, de frisse levendige gang der handeling, en misschien toch ook wel het culteranismo, waaraan ook Lope rijkelijk offert. Wel heeft de Foenix de Sp. dramatische kunst niet uit het niet geschapen: hij had zijn voorgangers, de ganse 16de eeuw door, maar al nam hij van de een dit, van de ander dat over, hij heeft de onmiskenbare verdienste gehad, het Sp. theater die eigen vorm te hebben gegeven, welke het tot diep in de 18de eeuw zonder enige wijziging van belang zou behouden. Enige zijner meesterwerken zijn gemeengoed gebleven van alle liefhebbers van dichterlijk toneel: De beste rechter de koning, De Jodin van Toledo, De ster van Sevilla, Peribanez, De ridder van Olmedo, Fuente Ovejuna . . . Geheel afzonderlijk staat zijn onopvoerbare prozacomedie ‘Dorotea’, zijn lievelingswerk, ten dele autobiografisch, ten dele de talentvolste navolging der ‘Celestina’.

Een ganse Pleïade van dramatische dichters, waaronder zeldzaam vruchtbare, volgden de meester; een eigen noot brachten de intellectueel Juan Ruiz de Alarcón, de sterk traditioneel voelende Valenciaan Guillién de Castro (15691631), wiens ‘Las mocedades del Cid’ (De jeugdjaren van de Cid) Corneille als model gediend heeft en de monnik Fray Gabriel Téllez (schrijversnaam Tirso de Molina) (ca 1571-1648) die in alle door Lope geschapen genres meesterwerken geschreven heeft. Naast de als een koraal zo plechtige historische tragedie ‘De wijsheid in de vrouw’, waarin de markante middeleeuwse gestalte van koningin Maria de Molina vereeuwigd wordt, de geestige karaktercomedies ‘De vrome Martha’, vaak met Molières ‘Tartuffe’ vergeleken, ‘De schuchtere aan het hof’, de welhaast geniale intrige-comedia ‘Don Gil met de groene broek’, en dan de twee betwiste meesterwerken ‘De spotter van Sevilia’ en de ‘Om zijn wantrouwen verdoemde’. In de eerste schiep hij voor alle tijden de Don Juan, naast Don Quijote één der grote mensentypen door Sp. vernuft gekristalliseerd, in de andere dramatiseerde hij het theologisch vraagstuk der praedestinatie. Gedramatiseerde theologie is in het Sp. der Filipsen een gewoon verschijnsel. Het volk was zó doortrokken van katholicisme, dat het een dergelijk toneel waarderen en genieten kon. Het auto sacramental is niet anders dan dat. Basis van dit genre, een nabloei van het middeleeuwse mysteriespel is het mysterie der eucharistie. Het is vooral Calderón, die hierin onvergankelijke werken geschapen heeft van volmaakte architectuur en innige lyriek. Op de H. Sacramentsdag werden van overheidswege op het marktplein van iedere grote stad rijk gedecoreerde opvoeringen gegeven, totdat in het tijdperk der Verlichting de protesten van enige intellectuelen tenslotte bij de overheid een verbod van opvoeringen bereikten (1765).

Niet, dat uit Lope en Tirso geen wijsheid te putten ware, maar in de eerste plaats waren zij geniale improvisatoren, scheppers uit het niet van een reuzenoeuvre in een kort mensenleven. Anders Alarcón, anders ook Calderón. De eerste, Don Juan Ruiz de Alarcón y Mendoza (ca 1580-1639), Mexicaan van geboorte, is een typische intellectueel en tevens een man met zeer onafhankelijke gedachten. Hij is een dissident. Zijn godsdienstig gevoel is lauw, zijn eergevoel minder kwetsbaar. Duidelijk waarneembaar is bij deze mismaakte mens die harde spot, ook van de grootste mannen van zijn tijd, te verduren heeft gehad, een gevoel van minderwaardigheid, dat hem met wrevel doet staan tegenover een door de natuur meer bevoorrechte, en in het algemeen tegen de Sp. mens van zijn tijd, die voor de lichamelijk onvolwaardige slechts minachting over heeft. In verschillende zijner toneelstukken (in tegenstelling tot de geweldige oeuvres zijner tijdgenoten slechts een 20-tal), wordt de Sp. caballero aan de kaak gesteld, nu eens wegens snoeverij en leugenachtigheid, dan weer wegens zijn kwaadspreken. En het is dan de mismaakte, die het langs lang niet altijd eerlijke wegen bij de dama wint.

Alarcón zag de Spanjaard van zijn tijd met de critische ogen van de moderne westerling. Hoe geheel anders staat zijn tijdgenoot Don Pedro Calderón de la Barca (1600-1681) tegenover de Sp. mens van zijn dagen. Als Lope is hij geheel een der hunnen; hij dient in zijn land als soldaat, wanneer Catalonië in opstand komt (1640) en als Lope treedt ook hij op rijpere leeftijd in de priesterstand (1651). Minder hartstochtelijk van karakter, geslotener, waardiger is hij dan zijn grote voorganger, ook bezonkener en meer filosofisch maar minder spontaan en natuurlijk, gestileerder, symbolischer. Vandaar zijn meesterschap in het auto sacramental, een symbolisch drama immers. De personen in zijn profane comedia zijn ook vaak symbolisch gedacht; als allegorieën zijn zijn stukken opgebouwd. De geniale bouwmeester van het drama had niet genoeg aan de nog schamele toneelaankleding zijner voorgangers. De muziek gaf hij een ruim aandeel, waardoor enige zijner stukken de allure van opera aannemen. Zijn barokkunst kon evenmin zonder kunst- en vliegwerk. Calderón was alleen dramaturg en niet daarnaast als Lope en Tirso schrijver van novellen, lyrische of epische poëzie. Maar hoeveel schone lyriek, o.a. enige van de mooiste in het Sp. geschreven sonnetten staan in zijn comedia’s verspreid. Calderóns fantasie is de mindere van die van Lope. Zijn beroemde ‘Rechter van Zalamea’ en zijn eveneens vermaarde ‘Geneesheer zijner eer’ zijn bewerkingen van gelijknamige stukken van Lope, maar in bouw en in psychologische diepte streven zij de voorbeelden verre voorbij. Groots van conceptie is zijn ‘Het leven is een droom’. De persoonlijkheden zijn hier echter te veel symbolen (dezelfde stof verwerkte hij trouwens in twee auto’s), staan te ver van de werkelijkheid. Het drama zal eeuwig blijven om zijn heerlijke lyriek en zijn diep wijsgerige strekking. Is het voor te stellen, dat diezelfde strenge en waardige Calderón ook de maker is van geestige mantel- en degenstukken, als ‘Hoedt U voor stille waters’ en ‘De spokende dame’? Calderóns oeuvre is de prachtige synthese van heel het voelen en denken van het Sp. volk in zijn bloeitijdperk. Hij overleefde ook zijn jongere talentvolle tijdgenoten Francisco de RojasZorrilla(1607-1648) en Augustm Moreto (ca 1618-1669), scheppers van geestige comedias de figurón, waarin de hidalgo en zijn idealen reeds gecaricaturiseerd worden.

Op en top Spanjaard zijner eeuw was de dichterdenker Don Francisco de Quevedo y Villegas (1580-1645). Man van de wereld, schrander politicus, pessimist als Calderón, maar bitter, sarcastisch; het viel hem niet zo gemakkelijk als Calderón, zijn ogen ten hemel te heffen, om de platte, ellendige werkelijkheid van het corrupte, verarmde Sp. van Filips IV maar niet te zien. Hij wil het striemen met scherpe gesels, om het tot het besef van zijn verval te brengen. In tal van gedichten, waarvan één hem de ongenade des konings en een langdurige gevangenschap, met spoedig daarop volgende dood kostte, gispt hij de maatschappij van hoog tot laag; zijn ‘Dromen’ zijn lucianeske satiren, in beeldende kracht slechts te vergelijken met de helleschilderingen van Hieronymus Bosch, zijn schelmenroman ‘El Buscón’ een tot in het caricaturale verwrongen beeld van de verwording der Sp. maatschappij. Bewonderenswaardig gewrocht der taalkunst, niet meer te vergelijken met de doodeenvoudige ‘Lazarillo de Tormes’ (1555), dat aardige eenvoudige boekje, waarin een arme drommel zijn belevenissen bij zijn opeenvolgende meesters vertelt, eerste begin van de schelmenroman, die pas na de dood van Filips II weer tot nieuw leven kwam met de navrante historie van Guzman de Alfarache, die penitente zondaar, het levensboek van Mateo Aleman (ca 1547-ca 1614), die na een leven van mislukkingen naar Mexico geëmigreerd, een duister einde vindt.

Bij Pablos de Buscón echter geen sprake van berouw, van moraliserende vertogen, als bij Guzman. Toch is dit boek met harteleed geschreven; Quevedo was niet minder hartstochtelijk vroom, niet minder ascetisch dan Calderón, getuige zijn talrijke stichtelijke werken; in hem zijn weer eens de gelovige christen en de bewonderaar van Seneca, die hij vertaald heeft, verenigd. Zijn ‘Politiek Gods en regering Christi’ is een christelijk, stoïcijns staatkundig tractaat. In het ene geschrift meer, in het andere minder, in stichtelijke en in burleske werken speelt deze vernufteling met begrippen; vaak stort hij een vuurwerk van geestigheden over zijn lezers uit, die vaak zo verborgen liggen, dat wij modernen er commentaar bij behoeven. Het is met deze conceptista als met zijn tijdgenoot, de grote culteranista Don Luis de Góngora y Argote (1561-1627), wel één der grootste taalkunstenaars, die de wereld gekend heeft. Bewierookt en verguisd, als meester vereerd en als gek gedoodverfd, was deze wereldse Cordobese kanunnik. Duistere mythologische toespelingen, inversies, Latijnse en Griekse woorden, maken het lezen van zijn geschriften alleen voor de ingewijde, die zich tot zorgvuldige ontleding zet, mogelijk: dan kunnen zij voor de fijnproever tot een genot worden. Reeds kort na zijn dood verschenen zijn beide hoofdwerken de ‘Polyfemus’ en de ‘Soledades’ (Eenzaamheden) van geleerde commentaren voorzien. Maar daarnaast staan zijn vaak vrij eenvoudige naar het populaire zwemende romances en schalkse letrillas. Baltasar Gracidn (1601-1658) was de theoreticus van het conceptismo, die deze geestesoefening een handboek gaf in zijn ‘Scherpzinnigheid en kunst des vernufts’ (1642). Deze jezuïetenpater met zijn onafhankelijke geest, die hem meer dan eens met zijn orde in conflict bracht, heeft in lapidaire zinnen de beelden gewrocht van de ‘held’ (1637), de ‘staatsman’ (1640), de ‘man van de wereld’ (1646). Het fijnste staaltje van zijn vernuft en woordkunst is zijn ‘Handorakel’ (1647) door Schopenhauer in het Duits vertaald. Maar zijn hoofdwerk is de symbolische roman ‘El Criticón’ (de titel vermoedelijk geïnspireerd door Barclay’s ‘Satyricon’). Het is de levensreis van de wijze Critilo met de natuurmens Andrenio. Dit compacte blok barokkunst in drie zware delen vormde met Quevedo’s ‘Dromen’ en ‘Buscón’ en de ‘Honderd staatkundige emblemata’ van de staatsman-schrijver Don Diego de Saavedra Fajardo (1584-1648) het aandeel, dat Sp. de 17de-eeuwse ontwikkelde lezer in geheel Europa in talrijke vertalingen bood.

Nog lang nadat Spanjes staatkundige macht begon te tanen heeft het letterkundig leven in bloei gestaan. De Gouden Eeuw, het zijn er wel twee als we aanvangen met de ‘Celestina’ en eindigen met Calderóns dood. Het Sp. genie gaf toen de wereld én mystische literatuur én een theater, die in omvang en originaliteit hun wederga niet vinden. Het schiep de Moorse roman, de schelmenroman, de psychologische novelle, het vernieuwde de ridderroman en de romance en als alleenstaand meesterwerk schonk het ons ‘Don Quijote.’ Op alle gebieden openbaart zich aan het einde der 17de eeuw in Sp. vermoeidheid. Een voor het grootste deel onvruchtbaar land, met dunne bevolking, had zich in korte tijd tot een wereldmacht opgeworpen. Bezield door veroveringszucht, avonturierszin en godsdienstige ijver had het een nieuwe wereld veroverd, verspaanst en gekerstend en haar schatten in exploitatie gebracht. De actiefste harer mannen had het daarbij verloren; veel denkers beperkten zich in de kloosters tot theologische en filosofische studies. De klasse der hidalgo’s vegeteerde in haar door verkoop langzamerhand leegwordende grote herenhuizen en was te trots om te werken. Tegen de nieuwopgekomen wereldmacht, de Angelsaksische, met haar practische en economische begrippen waren de dromers en ridders niet opgewassen. Het van middeleeuwse idealen doortrokken Sp. volk kon niet overweg met de nieuwe kapitalistische opvattingen en de geïndustrialiseerde moderne maatschappij. Ook de rationalistische geestesrichting der 18de eeuw lag de Spanjaard niet. Zij sijpelde wel door, had enkele adepten onder de ontwikkelden, maar strandde.

Met de komst der Bourbons (1700) neemt natuurlijk de Franse invloed toe. Naar Fr. model krijgt Madrid in 1712 een Nationale Bibliotheek; een jaar daarna wordt de Koninklijke Academie gesticht, die in een uitnemend woordenboek de taalschat vastlegt (1726-1739). Fr. schrijvers worden vertaald en nagevolgd. Als overal elders in Europa ontstaan literaire gezelschappen, waar druk gediscussieerd wordt; letterkundige tijdschriften verschijnen; critiek op de stand der wetenschap, vooral der exacte, die in Spanje jammerlijk achter was, komt op; de geschiedenis vindt wetenschappelijker beoefening; uitnemende bibliografieën verschijnen. De reactie tegen de overlading door conceptismo en culteranismo in de letterkunde gebracht, leidt tot prozaïsme; de dramatische literatuur had bij de epigonen van Calderón alle bezieling verloren, maar hoe belachelijk zij de intellectuelen ook aandeed, hun koude neoclassieke tragedies konden de brede lagen van het volk niet boeien en hadden nauwelijks een succès d’estime. Luzán (1702-1754) wordt in zijn ‘Poëtica’ (1737) de theoreticus van het Neoclassicisme; toch is hij té veel Spanjaard om niet met bewondering te getuigen van de toch met alle classieke principes in strijd zijnde kunstwerken der afgelopen eeuw. Ach, en eigenlijk was ook het ‘Diario de los Literatos’, dat naar het model van het ‘Journal des Savants’ was gesticht, er vol lof over. Fray Benito Feijóo (1676-1764), de ijverige benedictijn, die vanuit zijn cel te Oviedo zijn ‘Teatro crltico universal’ en zijn ‘Cartas eruditas’ (Geleerde brieven) schrijft om zijn volk op alle gebied in te lichten, achterstanden te bestrijden, de experimentele methode in de wetenschappen aan te prijzen,en die zijn geest zeker niet weigert open te zetten voor wat het buitenland te bieden heeft, blijft toch ook een rasechte Spanjaard. De Sp. geschiedkundige dier dagen, en dat is toch vreemd voor 18deeeuwers, graaft met wellust in de schatten der Middeleeuwen. Pater Enrique Flórez (1702-1773) wijdt een leven aan de publicatie van middeleeuwse, vooral kerkelijke documenten. Zijn verzameling ‘Espana sagrada’ (Het heilige Spanje), begonnen in 1747, wordt voortgezet door pater Mamiel Risco, die ook de nog onbekende oudste in het Latijn geschreven geschiedenis van de ‘Cid’ publiceerde. Lang voordat in Fr. aan publicatie van het ‘Chanson de Roland’ gedacht werd, maakt de geestelijke Tomas Antonio Sanchez ‘El poema de mio Cid’ bekend (1779). Oorspronkelijke talenten vindt men maar weinig onder de toenmalige intellectuelen, voornamelijk monniken en priesters. Een uitzondering dient gemaakt voor de jezuïet Pater Isla (1703-1781), met zijn satirische roman ‘Fray Gerundio’ (1758-1770), waarin de conceptistische predikers aan de kaak gesteld worden. Een echte barokkunstenaar, gloeiend vereerder van Quevedo, al maakte hij ook deel uit van de Academia del Buen Gusto, (Academie van de Goede Smaak) is de curieuze hoogleraar-schelm Don Diego de Torres Villarroel (1693-1770), in wiens autobiografie de schelmenroman herleeft. De Spanjaard blijft zichzelf, Neoclassicisme en Verlichting ten spijt. Don Nicolas Fernandez de Moratin (1737-1780) mislukte volkomen in zijn ijskoude classieke tragedies, maar zijn warme schildering van het middeleeuwse ridderleven in zijn ‘Stierengevecht in Madrid’ is springlevend gebleven. En zijn nog verfranster zoon Leandro de Moratin (1760-1828) heeft in zijn ‘Comedia Nueva’ (Nieuwe Comedie, 1792) en in zijn ‘El sl de las ninas’ (Het jawoord der meisjes, 1806) twee meesterstukken geschreven, niet omdat de fameuze eenheden er in ere hersteld zijn, maar om hun echte Sp. sfeer, om de typische Sp. karakters, die er levensgetrouw in getekend zijn; en hetzelfde valt te zeggen van de sappige populaire sainetes (eenacters met zang en dans) van Don Ramón de la Cruz (1731-1794), een der beste schakels in de keten van het género chico (het lichte genre), dat met Lope de Rueda's (overl. 1565) ‘Pasos’ inzet, en over Cervantes leidt naar de hedendaagse kostelijke eenacters der gebroeders Alvarez Quintero en Carlos Arniches, die thans in de Madrileense schouwburgen triomfen vieren.

De lyriek staat ten achter bij die van de grote eeuw; ze is tammer, liever, neigt naar het bucolische, is vaak prozaïsch.

Terwijl de Romantiek in het buitenland zich op Sp. inspireert (Byron, Southey, Tieck, later Hugo, Musset, Dumas etc.) en de Sp. literatuur als voorbeeld geprezen en gedoceerd wordt (Schlegel), zal het tot omstr. 1830 duren voordat de romantische ideeën in Sp. tot ontplooiing komen. Böhl von Faber interesseert het Sp. volk weer voor zijn grote dichters en toneelschrijvers; Augustin Duran publiceert zijn ‘Romancero’ (1828-1832); dan komen de émigré’s uit Frankrijk en Engeland terug en verbreiden tegelijk met de liberale staatsideeën de idealen der Romantiek. Het zijn de latere ministers Don Franciseo Martlnez de la Rosa (1787-1862), met zijn toneelstukken ‘Aben Humeya’ (1830) en ‘La conjuración de Venecia’ (De samenzwering in Venetië, 1834) en Angel de Saavedra, hertog van Rivas (1791-1865), met zijn drama ‘Don Alvaro o la fuerza del sino’ (De macht van het noodlot, 1835) en zijn legenden en romances, die met groot talent begaafd het Sp. volk met één ruk winnen. Het historische drama is hun genre en zal dat van alle romantici: Garcla Gutiérrez, Juan Eugenio Hartzenbusch en José Zonilla blijven. De drie fameuze eenheden zijn vervallen, als in de gouden tijd van het Sp. toneel worden het comische en het tragische gemengd, maar thans, als bij Shakespeare, worden de stukken gedeeltelijk in proza, gedeeltelijk in poëzie geschreven. Evenals vroeger worden verschillende metra toegepast, ook nieuwe. Sentimentaliteit en melancholie staan niet zo op de voorgrond als in andere literaturen, meer opstandigheid, laaiende hartstocht, hang naar het mysterieuze en lugubere. Verdi koos niet voor niets als libretto voor twee zijner opera’s twee der glansstukken van het Sp. romantische repertoire: ‘Don Alvaro’ voor zijn ‘La forza del destino’ en Garcia Gutiérrez’ ‘El trovador’ (1836) voor zijn Tl trovatore’. Alle poëtische legenden uit de M.E. vinden bewerking in romance of drama. Een van de meest poëtische is de geschiedenis van trouw der ‘Amantes de Teruel’ door Hartzenbusch (1806-1880), in 1836 ten tonele gevoerd. Een typisch romantische, ongebreideld revolutionnaire figuur in leven en werk is José de Espronceda (1808-1842), wiens bekendste werk de opzwepende legende ‘El estudiante de Salamanca’ is gebleven. Kwam de Romantiek Spanje laat binnen, ze hield het er lang vol. Zelfs waren de meest bezielde dezer dichters de laatste: JoséZorrilla (1817-1893) en Gustavo Adolfo Bécquer (18361870). Zorrilla is de Spaanse Hugo, brillant versificator, meer aanvoeler dan kenner der M.E., lyricus en dramaticus van gelijke kracht, maar evenals Hugo wel eens oppervlakkig, bombastisch. Maar onvergankelijk is de heerlijke klank van de martiale verzen, waarmee hij zijn ‘Cantos del trovador’ (Zangen van de troubadour, 1840-1841) opent, en nog geniet het Sp. volk jaar in jaar uit van zijn ‘Don Juan Tenorio’ (1844), dat volgens traditie op Allerzielen in de meeste Sp. schouwburgen ten tonele wordt gebracht. De ongebreidelde minnaar komt hier tot inkeer onder invloed van zijn liefde voor de edele Dona Inés. In tegenstelling tot het oude drama van Tirso de Molina, gaat hij hier niet ter helle, maar op voorspraak van zijn geliefde vindt hij de hemelpoort nog geopend. En Bécquer! Is er welhaast groter verschil denkbaar dan tussen deze ijle, tere dromer, schepper van mysterieuze prozalegenden en vage fijne ‘Rimas’, vol Weltschmerz en met een tikje heiniaanse ironie, en de als bergstromen bruisende verzen van de oude in 1889 plechtig gekroonde bard Zorrilla?

Wel kent de tweede helft van de 19de eeuw zijn poëten, de destijds zelfs zeer beroemde Campoamor (1817-1901) en Núnez de Arce (1834-1903), de eerste naar onze smaak maar al te prozaïsch en te quasifilosofisch, de andere oratorisch, academisch.

Maar het was in die tijd, dat de roman, die na Don Quijote vrijwel geen werk van betekenis had opgeleverd, weer heerlijk opbloeit. Realisme en naturalisme, uit den vreemde geïmporteerd, zijn spoedig geacclimatiseerd. Maar het is de werkelijkheid, ietwat rooskleurig gezien; langs al te erbarmelijke lelijkheid wordt heengekeken. Juan Valera (18271905), de Andalusische aristocraat, die bijna heel zijn leven buiten zijn vaderland in diplomatieke kringen leeft, is met zijn gedachten in de kleine plaats gebleven, waar hij is geboren. Hij ziet alles er wel wat mooier dan het is; zijn persoonlijkheden laat hij wel wat té gekunstelde taal spreken, maar welk een heerlijke Andalusische sfeer (zon, rust, kalme voorouderlijke zeden, gezelligheid, vanzelfsprekende innige godsdienstigheid) komt ons tegemoet uit zijn reeds classiek geworden ‘Pepita Jiménez’ (1874) en uit ‘Dona Luz’ (1879). Valera stelt hier het conflict van de geestelijke, die onweerstaanbaar verliefd wordt. In het eerste boek kan alles heerlijk onschuldig verlopen: de jonge seminarist heeft zijn gelofte nog niet afgelegd, ziet, dat zijn roeping niet ernstig was en trouwt het bekoorlijke weeuwtje. In het tweede gaat de geestelijke aan zijn passie te gronde. Eigenlijk was ook Valera romanticus; hij beweegt zich graag in sprookjessfeer, zo tussen werkelijkheid en droom. Pedro Antonio de Alarcón (1833-1891), eigenlijk ook een typisch romanticus: eerst hartstochtelijk atheïst, later even fel katholiek, vrijwilliger in de oorlog in Afrika (1859-1860); hij is echter realist in Sp. zin in zijn heerlijke korte verhalen als ‘El sombrero de tres picos’ (De steek, 1874) en ‘El capitan Veneno’ (1881), maar onstuimig romantisch in zijn grote romans. Meer naderend tot het realisme van een Balzac is de machtige veelschrijver Benito Pérez Galdos (1843-1920). In een 46-tal ‘Episodios Nacionales’ behandelt hij de ganse 19de-eeuwse zo stormachtige historie van zijn land. En daarnaast heeft hij de maatschappij van zijn dagen voor altijd in een groot aantal zedenromans tot leven gebracht. Alle problemen van zijn tijd worden erin behandeld. Sommige dezer zijn fel anticlericaal, in andere, de beste, is hij meer objectief schouwend en voert hij met heerlijke bonhomie de eenvoudigen ten tonele. Zijn standaardwerk is wel ‘Fortunata y Jacinta’ (1887-1888), waarin de hele Madrileense maatschappij van zijn tijd, in al zijn lief en leed voor het nageslacht bestendigd blijft. Ondanks hun diametraal verschillende 'levensopvattingen, harmonieerde deze goede mens, met de even rechtschapen, maar ultrakatholieke José Maria de Pereda (1833-1905). Hij is de geniale beschrijver van het leven der zeelieden in Santander (Sotileza, 1884) en van de bergbewoners der Montana (Pehas arriba, 1893). Voor hem geldt hetzelfde als voor Galdos: blijvend zijn die werken, waarin de politiek niet de hoofdtoon voert. Als naturaliste geldt Dona Emilia Pardo Bazan (1852-1921), omdat ze zonder schroom sexuele problemen, als b.v. bloedschande, durfde te behandelen. Toch is ook de sfeer van haar romans, ook van de beroemde ‘La madre naturaleza’ (Moeder natuur, 1887) romantisch. En dient niet hetzelfde gezegd van de vruchtbare Don Armando Palach Valdés (1853-1936), die vriendelijke, goedhartige en zonnige verteller, die ons zo aan Dickens doet denken? Sevilla leeft in zijn ‘Zuster San Sulpicio’ (1889), Valencia in zijn ‘De vrolijkheid van kapitein Ribot’ (1899).

Maar geen van allen drong diep door in de ziel van zijn volk. Dit was de generatie van 1898 voorbehouden. Jonge mensen, meest studenten waren het, die, opgeschrikt door de noodlottige afloop van de oorlog met de Verenigde Staten, zich bezonnen. Eensdeels zochten zij vernieuwing, europeïsering der Sp. maatschappij, anderdeels hingen ze met groot heimwee aan al het oude, zelfs het vervallene, waarin tenslotte meer schoonheid lag dan in het egale, cosmopolitische, dat de buitenwereld te bieden had. Maar in ieder geval ging hun strijd tegen de academische gladde taal, de traditionele, zoetelijke of bombastische vormen. Zij streefden naar verrijking van de taal met oude, kernachtige, door de landbevolking nog behouden woorden en uitdrukkingen; ook grepen ze als eens de renaissanceschrijvers naar de stamtaal, het Latijn, terug. Een geweldige stuwkracht ging daarbij uit van Sp. Amerika. Het was Rubén Dario, de Nicaraguaan, die zichzelf en terecht, als burger van alle Sp. sprekende landen beschouwde, die hier ook van de Spanjaarden de meester werd. Maar zij waren toch te veel zonen van hun land om slaafs de sterk verfranste, cosmopolitische Dario na te volgen. Zij assimileerden zijn vernieuwingen en werden scheppers ener typisch Sp. kunst. Sp., en zelfs Castiliaanse. Want zelfs niet-Castilianen, als de Levantino Azorin (geb. 1874), de Bask Pio Baroja (geb. 1872), de Asturiër Ramón Pérez de Ayala (geb. 1880), de Andalusiërs Antonio en Manuel Machado (geb. resp. 1875 en 1874) werden, eenmaal naar Castilië verplaatst, volledig opgezogen in deze kern der hispaniteit, het ruige, kale, dorre stamland, moeder van helden en heiligen. Hun kunst kon niet anders dan ernstig, bezinnend, stoïcijns worden. Het ietwat frivole exotisme van Dario moest wel langs hen afglijden. Met hen herleefde een dichtkunst, zoals Spanje die sinds de romancero niet gekend heeft. Een jongere generatie, onder leiding van Juan Ramón Jiménez, (geb. 1881), en een jongste met een Alberti(geb. 1903), Guillén (geb. 1893), Salinas (geb. 1891), Gerardo Diego (geb. 1896) hebben meer verfijning en subtiliteit gebracht. Hun bewonderde voorbeeld werd Góngora, en soms werd hun kunst hermetisch als de zijne. In zeker opzicht een uitzondering vormt de in de burgeroorlog (1936-1939) gefusilleerde, hoogstbegaafde Federico Garcia Lorca (geb. 1898), die ten dele tot de neogongoristen te rekenen valt, maar aan de andere kant degene is, die, en met een wonderbaarlijke smaak, deze kunst heeft weten te verenigen met de volkspoëzie, waarvan hij een hartstochtelijk minnaar was.

Een andere tak der letteren, het essay, bloeit sinds het begin der eeuw als nooit te voren. Angel Ganivet (18651898), Miguel de Unamuno (18641936), ook romancier en dichter van grote begaafdheid, de filosoof José Ortega y Gasset (geb. 1883), de psychologen Salvador de Madariaga (geb. 1886) en Gregorio Maranón, zij allen hebben op dit gebied een oogst geleverd die zowel door zijn geestelijke inhoud als artistieke waarde, ook in het buitenland in vertaling een grote lezerskring onder de intellectuelen verworven heeft. Gedachten, vooral over Sp., karakteriseringen van het Sp., maar ook algemeen menselijke problemen, vinden er hun plaats. Deze generatie heeft nog wel enkele grote romanciers geleverd, als Unamuno, Baroja, Pérez de Ayala en de artistiekste van hen allen, Ramón del Valle Inclan (1869-1936), tevens begaafd dichter en dramaticus, en de jonggestorven verfijnde Gabriel Miró (1879-1930); het jongere geslacht heeft op dit.gebied nog niet veel groots tot stand gebracht.

De dramatische literatuur is na de romantische periode in volle bloei gebleven. Het Sp. volk, dat het theater hartstochtelijk liefheeft, levert steeds de kunstenaars, die zijn dorst naar steeds maar nieuwe werken lessen. José Echegaray (1832-1916) beheerste in de 2de helft van de 19de eeuw met zijn laatromantisch oeuvre het toneel. In onze eeuw zijn het Jacinto Benavente (geb. 1866) met een ontzaggelijk oeuvre, vooral zedencomedies, zijn leerling Manuel Linares Rivas (geb. 1878), de meer precieuze, enigszins vrouwelijke Gregorio Martinez Siërra (geb.1881), en daarnaast de gebr. Seraf in en Joaquin Alvarez Quintero (geb.1871 resp. 1873) met hun licht aansprekende veelal Andalusische stukken, en de dichter van drama’s in verzen: Eduardo Marquina (geb. 1879), die nu al enige tientallen jaren het publiek weten te boeien. Het Sp. volk is nog weinig rijp voor de hoogst oorspronkelijke shakespeariaanse ‘Comedias barbaras’ van Valle Inclan, voor diens navrante ‘Esperpentos’. Wel mochten, ook in Sp. Amerika, de realistische en toch soms hoogpoëtische drama’s van de jonggestorven Garcla Lorca, vooral zijn ‘Bodas de sangre’ (Bloedbruiloft) triomfen vieren.

Zij allen behouden als de 16de- en 17de-eeuwers hun onmiskenbare Sp. kleur. Een achtergrond van een schilderij van Zuloaga, en ge ziet Spanje; een paar maten van een lied van De Falla en ge hoort Spanje; een dialoogje van een comedia der Quintero’s en ge leest, ge proeft Spanje.

De Spanjaarden waren slechte kolonisatoren. Dit is een gedachteloos, door tallozen herhaalde slagzin. Zijn zij dan niet hun hele koloniale rijk kwijtgeraakt? Hebben de Z. Amerikanen hen niet weggejaagd? Ja, en toch waren de Sp. kolonisatoren de beste van alle ... behalve dan misschien op economisch gebied. Zij waren naar Amerika getogen om hun fortuin te zoeken, maar eenmaal daar, opgeslurpt door het machtige avontuur, kregen ze het nieuwe land lief, en ondanks de haast onoverkomelijke moeilijkheden waarvoor ze bij verovering en exploratie stonden, bleven ze er en vermengden zich met de inlandse bevolkingen. Honderden onbaatzuchtige priesters en monniken trokken mee naar de ontoegankelijkste gebieden en brachten er de godsdienst der Spanjaarden; conquistadores en geestelijken leerden hun de Sp. taal en brachten er de Sp. levensgewoonten, stichtten er Sp. scholen, ook universiteiten en brachten er de drukpers, alles nog voor het jaar 1600. Creolen, mestiezen en inlanders gingen in het Sp. denken en dichten. Zolang het koloniale bewind duurde is er maar weinig verschil in wezen tussen de letterkundige voortbrengselen der koloniën en die van het moederland te bemerken. Don Juan Ruiz de Alarcón sluit aan bij de school van Lope, de Mexicaanse dichteres Sor Juana Inés de la Cruz (1651-1695) bij die van Góngora. Ook in de eerste helft van de 19de eeuw, toen. de één na de ander, de vroegere koloniën haar vrijheid verwierven, is er van zelfstandige literaturen geen sprake. Wel bezongen de dichters hun vrijheid, en ook de eigen helden, of de flora en fauna van hun land, maar dit geeft nog geen eigen letterkunde. In het La Platagebied ontstaat een gaucholiteratuur in het taaleigen der streek en José Hernandez (1834-1886) levert zelfs iets zeer bijzonders in zijn in Argentinië al als classiek beschouwde epos ‘Martin Fierro’. De Sp. Amerikanen zijn bij uitstek lyrisch en in de tweede helft der eeuw juichen over heel het Sp. Amerikaanse taalgebied stemmen op, die nieuwe tonen zingen. Het is wel dezelfde Sp. taal, van de kolonisten geërfd en met eerbied gehanteerd: het geestelijk gezag der Sp. Academie is in de Nieuwe Wereld nog gehandhaafd. Maar nieuw zijn de metra, nieuw de rhythmen, nieuw ook de ideeën en gevoelens. In Mexico zijn het Manuel Gutiérrez Najera (1859-1895), Manuel José Othón (1858-1906), Salvador Diaz Mirón (1853-1928), Francisco A de leaza (1863-1925), in Cuba zijn het José Marti ‘(1853-1895) en Julidn del Casal (1863-1893), in Columbia is het José Asmción Silva (1865-1896), die een ware revolutie in de dichtkunst voorbereidden. Rubén Dario (1867-1916) zet ze met machtiger talent door en brengt ze over heel de Sp. sprekende wereld, ook in Sp. Zijn bundels ‘Azul’ (Blauw, 1887), ‘Prosas profanas’ (1896) en ‘Cantos de vida y esperanza’ (Zangen van leven en hoop, 1905) vertegenwoordigen de drie fases zijner ontwikkeling. Eerst cosmopolitisme en overheersende Franse invloed, dan beheersing van het vreemde en aanpassing aan het Sp., tenslotte zelfbeperking, het afleggen van overtollige tooi, inkeer tot het eigene, dat Sp. is, maar ook Amerikaans. Sp. Amerikaans, dat hij diametraal tegenovergesteld voelt aan het N. Amerikaans, wat sterk tot uiting komt in zijn bekende ode aan Roosevelt. Elk in zijn toonaard vallen dan op het nieuwe continent stemmen in, gewekt door zijn meeslepende melodieën: de Columbiaan Guillerno Valencia (geb. 1872), de Boliviaan Ricardo Jaimes Freyre (geb. 1872), Darlo’s intieme Argentijnse vriend Leopoldo Lugones (geb. 1874), de Mexicaan Amado Nervo (1870-1919), de Columbiaan José Santos Chocano (ca 1867-1934), de Venezolaan Rufino Blanco Fombona (geb. 1874), de Uruguayo Julio Herrera y Reissig (1875-1910), de Mexicaan Enrique Gonzalez Martinez (geb. 1871).. . en dan vermenigvuldigden zich de dichtersgeslachten. Ook de vrouw komt merkwaardig knap naar voren. De vrouwelijke toon was in de Sp. poëzie nog weinig gehoord. Warm en eerlijk klinkt het uit de mond van dichteressen van groot formaat, als de Uruguaya Delmira Agustini (1890-1914), de Argentijnse Alfonsina Storni (geb.1892), de Uruguaya Juana de Ibarbourou (geb. 1895), de pas met de nobelprijs bekroonde Chileense Gabriela Mistral (geb. 1889). Voor het eerst zingt de Sp. sprekende vrouw ongeremd haar hartstochtelijke gemoed uit.

Het theater moet nog leentjebuur bij de Europese broeder spelen. Een embryo van nationaal toneel schept in Uruguay Florencio Sdnchez (1875-1910). De roman geeft de hele 19de eeuw door epigonen werk. Pas in onze tijd kondigen zich rasechte Amerikaanse producten aan, wortelend in eigen bodem, vertolkend gedachten van het eigen ras, vaak de dialoog houdend in het streekdialect. Drie kernen vormen zich:

1. Mexico, met als achtergrond de revolutionnaire bewegingen sinds het aftreden van Porfirio Diaz, met als legendarisch geworden helden generaals als Pancho Villa;
2. de Argentijnse pampa en het leven der gauchos;
3. de Llanos van Columbia en Venezuela.

De hoogtepunten van deze drie stromingen zijn in vertaling in Europa, ook in Nederland, doorgedrongen. Hier is een kunst ontstaan waarop Sp. als koloniserende mogendheid met recht trots mag zijn. ‘Los de abajo’ (Die van onderaf, 1925) van de Mexicaan Mariano Azuela,1,Don Segundo Sombra’ (1926) van de Argentijn Ricardo Giliraldes, ‘Dona Barbara’ (1929) van de Venezolaan Rómulo Gallegos zijn onvergankelijke schilderingen in een heerlijke rijke taal. Het is natuurlijk, dat de zonen een andere weg gaan dan de moeder, maar tenslotte zijn zij bloed van haar bloed en in tal van trekjes herkent ze ontroerd het eigen wezen.

Het Atlantische volk op het Pyrenese schiereiland heeft in zijn vruchtbaar land, dat met een milder klimaat gezegend is dan het dorre Castilië, een vriendelijker, amoureuzer letterkunde voortgebracht. Reeds in de Middeleeuwen toen heel de Sp. dichterbent zich van het Galicisch Portugees bediende, komt de bij uitstek lyrische aard der Port. letterkunde duidelijk naar voren. Het overwicht, ook geestelijk, van het grote broedervolk is oorzaak dat in de Renaissancetijd zelfs de belangrijkste der Port. schrijvers, als Francisco de Sa de Miranda (ca 1485-1558)en de dramaticus Gil Vicente (ca 1470-ca 1539) afwisselend in beide talen schrijven. Het werk van de laatste, omvangrijk en zeer gevarieerd (het omvat mysteriespelen, kluchten en intrigecomedies) is meer, dan van welke Iberische schrijver ook, doortrokken van erasmiaanse geest.

Ook Port. grootste muzenzoon Luiz de Camóes heeft talrijke schone sonnetten in het Sp. geschreven. Maar zijn roem blijft het in zijn moedertaal geschreven heldendicht ‘Os Lusiadas’ (1572). In het middelpunt staat de omzeiling van Afrika door Vasco da Gama en het begin der betrekkingen tussen Port. en Indië; in vele ingelaste episoden worden andere feiten uit de Port. geschiedenis verheerlijkt en de latere ontdekkingen in Indië voorspeld. Het schoonste gedeelte van het gedicht vormen de strofen, die de dood van de ongelukkige Inés de Castro verhalen.

De volgende eeuwen, tijdens Port. neergang, brengen niet veel groot werk, maar in de 19de en 20ste eeuw komt vooral de roman tot bloei. Romantiek, realisme en naturalisme, ze vinden er beoefenaars, die naast de grote Fransen genoemd mogen worden, als een Camillo Castello Branco (1826-1890), Julio Diniz (1839-1871), Ega de Queiroz (1846-1900), Guerra Junqueiro (1850-1923). Ook bij de geschiedwerken en essays zijn er ware monumenten van taalkunst en gedachtenrijkdom, die zich kunnen meten met die hunner Sp. kunstbroeders van deze tijd. Was het in de vorige eeuw Oliveira Martins met zijn ‘Historia da civilizagao ibérica’ (1879), in de onze is het Fidelino de Figueiredo met zijn talrijke studies, waarin hij tot het wezen der Port. ziel doordringend haar tracht af te bakenen van die der andere Iberische volken, die ook in het buitenland door vertalingen het meest doorgedrongen is.

J. A. VAN PRAAG

J. Fitzmaurice Kelly, A new history of Spanish Literature, 1926.

E. Mérimée, A history of Spanish Literature (translated by E. Griswold Morley), 1931.
G. J. Geersen J. Brouwer, De Renaissance in Spanje, 1932.

The Oxford Book of Spanish Verse, 1932. J. Brouwer, De achtergrond der Spaanse mystiek, 1935. Pfandl, Geschichte der spanischen Nationalliteratur in ihrer Btütezeit, 1929. Paul Hazard, Don Quichotte de Cervantes, 1938. Marcel Carayon, Lope de Vega, 1929.

G. Desdevises du Dézert, La richesse et la civilisation espagnoles du XVIIle siècle, 1928. A. F. G. Bell, Contemporary Spanish Literature, 1926. I. Goldberg, Studies in Spanish-American Literature, 1920. M.L. Wagner, Die spanisch-amerikanische Literatur in ihren Hauptströmungen, 1924. G. le Gentil, La littérature portugaise, 1935.