Wat is de betekenis van Gezapig?

2019
2022-12-04
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

gezapig

gezapig - Bijvoeglijk naamwoord 1. rustig, bedaard, saai, kalm (maar vaak in de betekenis van te rustig, te bedaard, te saai) Hij was geboren in het gezapige dorpje aan de Maas. Woordherkomst afgeleid van sap met het voorvoegsel ge- en met het achtervoegsel -ig

Lees verder
1973
2022-12-04
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

gezapig

bn. en bw. (-er, -st), zacht en stil, zonder haast of geweld, gemoedelijk, bezadigd: een mens; hij is — in al wat hij doet; een gezapige regen, een zachte regen; werken, kalm aan; (ong.) al te gemoedelijk.

1937
2022-12-04
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

gezapig

bn., bw. (Z.-N. zacht en stil, bezadigd, kalm, goedig).

1930
2022-12-04
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

gezapig

(gə'za:pəch) bn. en bw. (-er, -st) [< sap ; smakelijk] kalm en stil gemoedelijk.

1898
2022-12-04
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gezapig

GEZAPIG, bn. bw. (-er, -st), (Zuidn.) zacht en stil, zonder haast of geweld, gematigd, bezadigd: een gezapig mensch; hij is gezapig in al wat hij doet; een gezapige regen, een zachte regen; gezapig werken, kalm aan. GEZAPIGHEID, v.