Christelijke encyclopedie

F.W. Grosheide (1926)

Gepubliceerd op 08-01-2020

Mier

betekenis & definitie

De mieren (formicidae) behooren tot de klasse der insekten (insecta) en vormen een familie van de orde der vliesvleugeligen (hymenoptera). Ze leven, evenals de bijen, in koloniën, die uit gevleugelde mannetjes en wijfjes en uit onontwikkelde wijfjes of werkmieren bestaan.

Op een stillen zomeravond verheffen zich de gevleugelde mannetjes en wijfjes hoog in de lucht om te paren. Daarna keeren ze naar den bodem terug, waar de mannetjes weldra te gronde gaan.

De wijfjes ontdoen zich nu met behulp der werkmieren van hun vleugels en worden door de laatste naar het nest gesleept. Deze ontwikkelde wijfjes, ook wel koninginnen geheeten, kunnen den ouderdom van 15 jaar bereiken en doen eigenlijk niets anders dan eieren leggen.

De arbeidsters of werkmieren zijn vleugelloos en kunnen ook eenige jaren oud worden. Zij verzamelen voedsel voor de wijfjes en hun larven, houden het nest schoon en waken over de ingesponnen larven of poppen, die wel eens miereneieren genoemd worden.

Onder de werkmieren zijn er sommige met een grooten kop en groote kaken; dat zijn de zoogenoemde soldaten, die den mierenstaat moeten verdedigen en hard of taai voedsel moeten fijn maken. 5000 soorten van mieren zijn beschreven. Ze behooren tot een groot aantal geslachten, waarvan we slechts noemen: formica, myrmica, lasius, camponotus, polyergus, dorylus, monomorium, ponera, atta.

Over de geheele aarde zijn ze verspreid; de grootste zijn 3 centimeter, de kleinste 1 millimeter lang. De mieren leven van plantensappen, vruchten, honig, suiker, zoet ooft, insekten en insektenlarven.

Zeer verzot zijn ze op de exkrementen der bladluizen, waarom ze deze dieren in hun nesten houden bij wijze van melkkoeien.

Dit is ook het geval met den gelen knotskever (claviger testaceus), die wegens een zoet vocht, dat hij afzondert, door de barnsteengele mier (lasius flavus) in haar nest gehouden wordt.

Er zijn ook slavenhoudende mieren, zooals de roestkleurige mier (formica rufescens) en de bloedroode mier (formica sanguinea); deze laten hun werkzaamheden verrichten door arbeidsters van andere mierensoorten, bijvoorbeeld van de aschgrauwe boschmier (formica fusca), wier poppen zij daartoe op hun rooftochten gevangen nemen. Sommige mierensoorten, zooals de gele weidemier (formica clava) en de gewone roode mier (myrmica rubra) hebben een angel, die echter voor menschen geen gevaar oplevert.

Alle mieren, ook die geen angel hebben, bezitten een giftklier, die mierenzuur (CH202) afzondert, dat tot verdediging uitgespoten wordt, gelijk men dat dikwijls kan zien bij onze roode boschmier (formica rufa). Deze zeer nuttige mier leeft vooral in onze dennenbosschen.

De mannetjes en wijfjes zijn 9 millimeter lang, de werkmieren iets kleiner. Van bladeren, takjes, dennenaaiden, aardkluitjes bouwen ze hun woningen, die dikwijls een meter hoog zijn en zich nog even ver onder den grond uitstrekken.

Tegen den winter vallen de mieren in een soort verdooving of winterslaap. Sommige mierensoorten inhetMiddellandsche zeegebied, die men oogstmieren noemt en die tot de geslachten messor en aphaenogaster behooren, verzamelen groote voorraden gras- en graankorrels in hun nesten voor tijden van schaarste, vooral voor den regentijd, die daar met den winter samenvalt.

Inden Bijbel worden de mieren aangehaald als voorbeelden van vlijt en vooruitziendheid (Spr. 6 : 6—8; 30 : 25). Plaatsgebrek verbiedt over de „buitengewone begaafdheden” of het verwonderlijke instinkt der mieren uit te weiden.

De als houtvernieler bekende witte mier (termes fatalis), die ook in onze Oost voorkomt, is geen mier, maar behoort tot de orde der rechtvleugeligen (orthoptera) en heeft een onvolkomen gedaanteverwisseling.