Jeremia betekenis & definitie

Jeremia, profeet, vermeend auteur van het bijbelboek Klaagliederen.

Jeremiëren, jammeren, klagen; zeuren.

Jeremiade, langdurige jammerklacht, klaagzang; gezeur.

De Klaagliederen zijn lange tijd, naar men nu meent ten onrechte, aan Jeremia toegeschreven. Het bijbelboek heette dan ook Klaagliederen van Jeremia. Deze klaagzangen geven uitdrukking aan de rouw en zorg van de dichter over de ondergang van Jeruzalem. De hier genoemde afleidingen zijn mogelijk mede onder invloed van een van de vreemde talen gevormd. Ze worden dikwijls met enige spot of afkeuring gebruikt. Zie ook Klaaglied.

Bijbelcitaat: Deux-Aesbijbel (1562). titel. De KLAECH-lieden Ieremiae. (In de Statenvertaling (1637): De Claeg-Liederen Jeremia.)

Gebruiksvoorbeeld: De onzichtbare dominee ergens in de diepte huilde en jammerde met zo'n onnatuurlijke stem dat hij toch al moeilijk te volgen zou zijn geweest, maar bovendien galmde de grote holle kerk van de echo's tot het klonk alsof er vijf onzichtbare dominees aan het jeremiëren waren. (J. de Hartog, Herinneringen van een bramzijgertje, 1967, p. 78)

Gebruiksvoorbeeld: God beware mij voor gejeremieer of het ophemelen van een tijd die alleen maar primitief

en pover was. (NRC, mei 1994)

Gebruiksvoorbeeld: Arturo’s jeremiades over het lot van de immigrant en arbeider waren beter tot hun recht gekomen als Fante [schrijver van de roman] ze met meer ironie en humor had gekruid. (NRC, 5-2-1999, p. 41)

Gepubliceerd op 11-05-2017