Broeder betekenis & definitie

Broeder, mannelijke kerk- en geloofsgenoot; in rooms-katholieke omgeving aanduiding en aanspreektitel van kloosterlingen; in protestants-christelijke omgeving van de kerkgenoot, vooral de ambtsdragers onder hen.

Ware broeder; valse broeder, betrouwbaar, beginselvast persoon, iemand met de juiste beginselen, resp. onbetrouwbaar persoon met onzuivere bedoelingen.

Zwakke broeder, iemand met geringe kennis of vaardigheden; instellingen, bedrijven met een zwakke positie.

De brievenschrijver Paulus pleegt zijn medechristenen met broeder aan te spreken, een gewoonte die in christelijke gemeenten nog steeds wordt gepraktiseerd, in sommige tot de dag van vandaag. Ook aan Paulus ontleend is de valse broeder; in Galaten 2:4 spreekt hij over ‘de binnengedrongen valse broeders, lieden, die waren binnengeslopen, om onze vrijheid, die wij in Christus Jezus hebben, te bespieden’ (NBG-vertaling; de NBV heeft hier schijnbroeders). Ware broeder en zwakke broeder zijn geen bijbelse verbindingen, maar kunnen wel in aansluiting op het bijbels taalgebruik ontstaan zijn. Algemeen is het gebruik van broeders ter aanduiding van verwante zielen, medeleden van bepaalde gemeenschappen enz.; zie hiervan voorbeelden in de woordenboeken. Buiten bepaalde verbindingen is het gebruik dus niet noodzakelijk bijbelgebonden. Bij de rooms-katholieke toepassing zullen het Latijn en Frans mede als voorbeeld gediend hebben.

Bijbelcitaat: Liesveldtbijbel (1526), Romeinen 7:1. En weet ghi niet lieue broeders (want ic spreke metten ghenen dye de wet weten) dat die wet heerscapt ouer den mensce alzo lange als hi leeft.

Gebruiksvoorbeeld: De Zwitserse broeder Roger Schutz, stichter van de gemeenschap van Taizé, heeft de jongeren opgeroepen te kiezen voor de liefde. (De Standaard, dec. 1995)

Gebruiksvoorbeeld: Ik [t.w. de dominee] houd er van om op deze vergaderingen de eerste te zijn, om als gastheer de broeders te begroeten. (J. van Dorp-Ypma, Dominee in Laodicea, z.j., p. 7)

Bijbelcitaat:Liesveldtbijbel (1526), Galaten 2:4. Om zommiger neffens in gebrochter valscer broeders wille, die neffens in ghecomen waren, om te bespien onse vrijheit die wy hebben in christo Jesu.

Gebruiksvoorbeeld: Vanwege deze interviews en een fotoreportage in een Frans weekblad [...], is deze man [...], voor Greshoff dan plotseling tot een valse broeder geworden, een ‘clown’, maar liefst ‘ijdeler dan de ijdelste toneelspeler’. (Utrechts Nieuwsblad, 18-5-1957)

Gebruiksvoorbeeld: Onder de schrijvers van de laatste jaren is er niet één, van wie men spontaan uitroept, dàt is nu de ware broeder, of het moest Willem Brakman zijn. Hij toont zowel in de behandeling van de stof als in zijn taalgebruik een duidelijk begrensde persoonlijkheid. (Het Vaderland, 1-9-1962)

Gebruiksvoorbeeld: De zwakke broeders zal ik voor het examen extra stof opgeven. (Gehoord, jaren ’60)

Gebruiksvoorbeeld: Het failliet gaan van een zwakke broeder in de bedrijfstak. (Tweede Kamer, dec. 1995)

Ben ik mijn(s) broeders hoeder? Retorische vraag: moet ik op mijn broer passen? (fig.) ben ik verantwoordelijk voor de daden en tekortkomingen van de mensen in mijn omgeving? Meestal in de bevestigende vorm:

Niet zijn(s) broeders hoeder zijn, zich niet voor zijn medemens verantwoordelijk voelen.

Een van de meest indrukwekkende gebeurtenissen in de bijbel is de broedermoord van Kaïn op Abel. Genesis 4 vertelt het verhaal en vers 9 luidt: ‘Toen zeide de HERE tot Kaïn: Waar is uw broeder Abel? En hij zeide: Ik weet het niet; ben ik mijns broeders hoeder?’ (NBG-vertaling; de NBV vertaalt met ‘Moet ik soms waken over mijn broer?’). Deze uitdrukking is frequent en wordt gebruikt door mensen die zich aan de verantwoordelijkheid voor hun medemens onttrekken, of om dergelijke personen te karakteriseren. Ook schertsenderwijs worden de woorden aangehaald, waarbij men er soms vrolijk op los varieert: ‘Nee, ik ben niet overal rondgegaan [met een tractatie]. Ben ik mijn broeders voeder?’ (Gehoord, jaren ’90).

Bijbelcitaat: Statenvertaling (1637), Genesis 4:9. Ben ick mijnes broeders hoeder?

Gebruiksvoorbeeld: ‘Wist je dat ze weg was?’ ‘Ik ben niet mijn broeders hoeder.’ (Verdachte in politieserie Baantjer, RTL4-televisie, 5-2-1999)

Gebruiksvoorbeeld: Reinaert stond buiten aan de herberg, en hoorde hoe de wolf moord en brand schreeuwde terwijl men hem daarbinnen aftroefde... maar kon reinaert wel eens EEn keer zijns broeders hoeder wezen, het lag toch niet in zijn bedoeling om zijn eigen poten te gaan uitlenen, aan iemand die hem daarmee een schop in zijn eigen gat zou gegeven hebben... . (L.P. Boon, De Kapellekensbaan/Zomer te Termuren, 1980 (1953/1956) , p. 202)

Gepubliceerd op 11-05-2017