Wat is de betekenis van zullen?

2024-02-28
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

zullen

zullen - Werkwoord 1. (auxl): hulpwerkwoord van de toekomende tijd Ik loop - ik zal lopen''. 2. (modl): moeten Gij zult het olieveld van uw naaste niet begeren. Woordherkomst afkomstig van: Middelnederlands: sullen Oudernederlands: sullan Germ...

2024-02-28
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

zullen

zullen - onregelmatig werkwoord uitspraak: zul-len 1. verplicht zijn ♢ je zult je bord leegeten! 2. geeft aan dat het in de toekomst gaat gebeuren ♢ ik zal het je uitleggen ...

2024-02-28
Bijbels Lexicon

Karina van Dalen-Oskam & Marijke Mooijaart (2017)

Zullen

Gij zult (niet) ..., u moet, resp. u mag beslist niet ... . Eerste woorden van acht van de Tien Geboden; formulering, vaak spottend of kritisch, ter introductie van een regel die als onaantastbaar beschouwd wordt. De Tien Geboden, te boek gesteld in onder andere Exodus 20, behelzen Gods wetten in korte bewoordingen (zie ook Gebod). Bijna steeds zij...

2024-02-28
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Zullen

v., sille, soe, sillen (sild).

Wil je toegang tot alle 11 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-02-28
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Zullen

(zal, zou, zoude, heeft zullen), 1. moeten, t.w. als zedelijk of als gezagsgebod of -verbod: gij zult dat laten ; gij zult niet stelen ; 2. hulpw. ter vorming van de toekomende tijd: morgen zal ik vertrekken; — met ellips van het ww.: het moet en het zal, nl. gebeuren; — als bedreiging : wacht ik zal je (nl....

2024-02-28
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

zullen

zal, zou(de), vd. ontbreekt (1 hulpw. van tijd, toekomst; 2 hulpw. van wijze): 1 ik zal morgen komen; hij zei te zullen komen; als voorspelling: de wereld zal vergaan; 2 (waarschijnlijkheid, mogelijkheid): hij zal u gisteren niet begrepen hebben; (gebod) gij zult niet stelen; gehoorzamen zullen ze; (bedreiging) ik zal ze; (uiting v. besluitelooshei...

2024-02-28
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

zullen

('zullən) (ik zal, zou, zoude) [~ schuld] 1. verplicht zijn, moeten : gij zult vader en moeder eren; gij zult niet stelen; dat zal je (wel) laten. 2. als bedreiging : ik zal ze (helpen, krijgen, straffen)! gaan spelen? ik zal je spelen! dat zal ik wel verhinderen. 3. als uiting van besluiteloosheid : wat zal ik doen? zou ik uitgaan? 4. om een...

2024-02-28
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

zullen

(zal, zou, zouden), I. zelfst. ww., moeten, nl. als zedelijk of als gezagsgebod of -verbod: je zult dat laten; II. hulpww. van de toekomende tijd, 1. toekomend zonder meer: morgen zal ik vertrekken; je zult er eens spijt van hebben (min of meer als bedreiging); dat zul je nu altijd zien!, dat gebeurt steeds, als iets ongewensts; als aanbeveling...

2024-02-28
Keur van Nederlandsche woordafleidingen

J.Pluim (1911)

Zullen

gij zult niet stelen, van de Germ. wt. skal = = schuldig zijn, moeten betalen, verplicht zijn. Zie Schuld. Zoo werd zullen hulpw. v. d. geb. wijs. Daar deze wijs altijd betrekking heeft op een nog toekomstige werking, werd het ook hulpw. v. d. toekomenden tijd; vgl.: geef mij dat boek eens, gij zult mij dat boek geven.

2024-02-28
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

ZULLEN

ZULLEN, (zal, zou, zoude), hulpw. ter vorming van den toekomenden tijd en de voorwaardelijke wijs bij de vervoeging der werkwoorden: morgen zal ik vertrekken; ik zou uitgaan?; — als bedreiging: wacht ik zal je (helpen, krijgen, straffen); — moeten, verplicht zijn: gij zult dat laten; gij zult niet stelen.

2024-02-28
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Zullen

Zullen, hulpw. (ik zal, zoude), (alleen gebruikelijk ter vorming van den toekomenden en den voorwaardelijken tijd bij de vervoeging der werkwoorden).