Werk betekenis & definitie

Het werk zijner handen, dat wat hij (God) heeft gemaakt; (van een persoon) zijn werk, of de opbrengst ervan. Ook in de eerste of tweede persoon: mijner, uwer.

Deze uitdrukking komt onder meer voor in Jesaja 45:11, ‘Zo zegt de HERE, de Heilige Israëls, en zijn Formeerder: Vraagt Mij naar de toekomstige dingen, vertrouwt Mij mijn zonen en het werk mijner handen toe’ (NBG-vertaling). In de bijbel betreft het steeds iets wat God geschapen heeft of teweeg heeft gebracht; in hedendaags Nederlands komt ook in schertsend gebruik voor.

Bijbelcitaat: Liesveldtbijbel (1526), Jesaja 45:11. Draecht mi die toecomende dingen, ouer mine kinderen, ende ouer dat werc mijnder handen gebiet mi.

Gebruiksvoorbeeld: Toen ik eens geheel zonder middelen stond, doch niettemin een vrouw en een wenend kind met het werk mijner handen voeden moest [...] (S. Carmiggelt, Weet ik veel, 1958, p. 22)

Gebruiksvoorbeeld: Bij de avondboterham geurde het hele dorp naar het werk zijner handen. (De Waarheid, 10-8-1977)

Gepubliceerd op 11-05-2017