Vis-a-vis
(Fr.), I. bw., recht tegenover; II. zn. 1.(gemeensl.) die tegenover een ander is geplaatst; 2.(v.) rijtuig met twee zitbanken tegenover elkaar; 3.v. en o., (muz.) dubbel clavecimbel, t.w. met twee toetsenborden tegenover elkaar, in de 17de en 18de e. in gebruik.