Wat is de betekenis van vis-à-vis?

2020
2022-01-22
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

vis-à-vis

Het begrip vis-à-vis heeft 5 verschillende betekenissen: 1) tegenover. tegenover; jegens; ten aanzien van. 2) tegenover elkaar. recht tegenover elkaar. 3) persoon tegenover een andere. persoon die recht tegenover een andere zit of staat. 4) gesprek. gesprek waarbij, of situatie waarin twee personen tegenover el...

Lees verder
2019
2022-01-22
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

vis-à-vis

vis-à-vis - Bijwoord 1. direct tegenover elkaar, met de gezichten naar elkaar toe Zij zaten een uur lang vis-à-vis, maar spraken geen woord met elkaar. vis-à-vis - Voorzetsel 1. direct tegenover Vol vertrouwen liep hij het zaaltje in en ging vi...

Lees verder
1994
2022-01-22
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Vis-à-vis

[Fr.] recht tegenover, met gelaat naar elkaar gekeerd; wie aldus tegenover iem. zit.

1993
2022-01-22
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Vis-à-vis

recht tegenover; persoon die recht tegenover zit; rijtuig met twee recht tegenover elkaar geplaatste zetels

1981
2022-01-22
Zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

vis-à-vis

[Fr. viezavie'], tegenover: hij zat vis-à-vis met zijn tegenstander; ook als zelfstandig naamwoord gebruikt: in de trein was een jong meisje mijn vis-à-vis. Verder een rijtuigje met twee zitbanken tegenover elkaar.

1973
2022-01-22
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

vis-à-vis

[Fr.], I. voorz. en bw., recht tegenover; II. zn., 1. v./m. (mv. idem), iemands –, de persoon die recht tegenover hem is geplaatst; 2. m., rijtuig met twee zitplaatsen tegenover elkaar.

Lees verder
1955
2022-01-22
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Vis-à-vis

1) tegenover 2) open rijtuig met twee zitplaatsen tegenover elkaar

Lees verder
1950
2022-01-22
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Vis-a-vis

(Fr.), I. bw., recht tegenover; II. zn. 1.(gemeensl.) die tegenover een ander is geplaatst; 2.(v.) rijtuig met twee zitbanken tegenover elkaar; 3.v. en o., (muz.) dubbel clavecimbel, t.w. met twee toetsenborden tegenover elkaar, in de 17de en 18de e. in gebruik.

Lees verder
1949
2022-01-22
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Vis-a-vis

(Fr.), tegenover; ook (zelfst. nw.) tegenover iemand geplaatst persoon.

1948
2022-01-22
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

vis-à-vis

(Fr.) m. en v. iemand, die (bij de dans, aan tafel) tegenover een ander geplaatst is; (ook:) dubbelklavier; smal koetsje, dat voor en achter maar één zitplaats heeft. viscera. visceraal, tot de ingewanden behorende.

Lees verder
1937
2022-01-22
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

vis-à-vis

1. Fr., bw. (tegenover); 2. Fr., v.(zit, plaats tegenover een ander; rijtuig met twee zitbanken tegenover elkander); 3. m. en v. (tegenover elkaar zittende personen): die heer was aan tafel, mevrouw in ‘t rijtuig mijn vis-à-vis; lees viez-a-vie.

Lees verder
1864
2022-01-22
Beknopt kunstwoordenboek

Beknopt kunstwoordenboek, I.M. Calisch (1864)

vis-à-vis

vis-à-vis - bijw. tegenover