Wat is de betekenis van Vis?

2020
2021-11-29
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

vis

1) (2005) (poker) beginneling. • Mensen die beginnen noemen we 'vissen'. Die kunnen het nog niet, maar dragen wel bij aan de pot. Wij 'haaien' kunnen die dan weer winnen. De meeste 'vissen' beginnen op een site waar ze spelen met 'play money', nepgeld dus. (Nieuwe Revu, 19/10/2005) 2) (1998) (drugs) codetaal voor hasj. • (...

Lees verder
2019
2021-11-29
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

vis

vis - Zelfstandignaamwoord 1. (vissen) Pisces, gewerveld dier met kieuwen, levend in water Door de overvloedige visvangst worden sommige vissen steeds schaarser. 2. (metonymisch) het vlees van een vis (1) Vis wordt beschouwd als hersenvoer. ...

Lees verder
2018
2021-11-29
Ministerie van Buitenlandse Zaken

Begrippenlijst door Ministerie van Buitenlandse Zaken

VIS

Visuminformatiesysteem. Een centraal informatiesysteem in het kader van de Schengensamenwerking waarin gegevens over visa-aanvragen worden geregistreerd.

2018
2021-11-29
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

vis

vis - zelfstandig naamwoord 1. koudbloedig, gewerveld dier dat in het water leeft ♢ hij heeft met zijn hengel een grote vis gevangen 1. hem voor rotte vis uitmaken [heel erg uitschelden] ...

Lees verder
2017
2021-11-29
Matrozen en mariniers

Jargon & Slang van Matrozen en mariniers

Vis

Vis - de vissen voeren: overgeven. Vgl. Eng. to feed the fishes.

2016
2021-11-29
Culinair van a tot z

Culinair van a tot z

vis

Verzamelnaam voor de vele vissoorten en culinair wordt vis in een aantal groepen onderverdeeld, te weten: a. Zoutwatervis b. Zoetwatervis c. Rondvis d. Platvis e. Magere vis f. Vette vis ​

Lees verder
2004
2021-11-29
Ikonen Lexicon

Geschreven door Karin Braamhorst, 2004

Vis

Vis is een vroegchristelijk symbool voor Christus. Naast de lettersymboliek (ICHTYS = Grieks voor vis, = vertaald: Jezus Christus, Zoon van God, Redder) wordt de vis door vroege kerkvaders geïnterpreteerd als een parallel met Christus die zichzelf offert en een vis die zichzelf geeft om gegeten te worden. Associaties met water (de doop), met voedse...

Lees verder
1998
2021-11-29
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Vis

bakken zie ook een gast en een vis blijven maar drie dagen fris; een vrouw zonder man is als een vis zonder fiets: 1. de-sen voeren, slanguitdr. voor ‘kotsen wegens zeeziekte’. Vgl. Engels to feed thefish. Vgl. eveneens een braakje leggen; over zijn nek gaan; rendez-vous spelen. 2. met het - bakken uit de pan gesprongen, schertsend antwoord op de v...

Lees verder
1997
2021-11-29
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

vis

In Vlaanderen komt volgens Mullebrouck (1984) de verwensing voor ga met uw vis naar een andere markt! De letterlijke betekenis verraadt alleen nog het domein van herkomst, t.w. de markthandelaren. De betekenis is afgezwakt tot een emotionele die afkeer, minachting uitdrukt en weergegeven kan worden met ‘rot op’.

1993
2021-11-29
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Vis

kracht; vermogen

1981
2021-11-29
Lexicon der Natuurgeneeskunde

Vraagbaak voor het moderne gezin (Uitgave Milinda Uitgevers, 1981)

Vis

een belangrijk eiwitrijk, deels ook vetrijk voedingsmiddel met een hoog vitamine gehalte. Zeevis is meestal rijker aan vet dan zoetwatervis en ook wat zwaarder te verteren. Gaat eerder tot ontbinding over dan vlees en is dan oorzaak van visvergiftiging. Visconserven zijn meestal d.m.v. chemische toevoegingen houdbaar gemaakt. Gerookte en geconserve...

Lees verder
1980
2021-11-29
Blauwe Scheen

Lexicon Beeldende Kunstenaars

Vis

Zie Riem Vis.

1974
2021-11-29
Biologische encyclopedie

Biologische encyclopedie geschreven door G. Th. van Kempen. Amsterdam, 1974.

vis

belangrijk voedingsmiddel. Bevat 15-19% eiwit (biologische waarde ervan is hoog) en 0-25% vet. Vette vissoorten: haring, paling, makreel, zalm en sprot; magere vissoorten: kabeljauw, tong, schol, baars, rog, tonijn, zeelt. Vis bevat veel vitamines, zeevis bovendien veel spoorelementen.

Lees verder
1972
2021-11-29
OHS1

Oosthoek Encyclopedie supplement

Vis

2. m. (geen mv.), het eiwitrijke voedingsmiddel uit visvangst of visteelt. Voor een overzicht van de vangsten zie afb.

1955
2021-11-29
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Vis

kracht, macht; vis comica: komische kracht, vermogen om de lachlust op te wekken; vis inertiae: traagheid (in de natuurkunde)

1954
2021-11-29
Medisch

Eerste Medisch Systematische Ingerichte Encyclopedie

Vis

Lat. voor kracht; bijv. —a tergo, stuwende kracht. —medicatrix naturae, de natuurlijke neiging tot herstel. —vitae, levenskracht.

Lees verder
1954
2021-11-29
Agrarisch

Agrarisch Encyclopedie

Vis

1. (dierk.) Laagst geordende groep der gewervelde dieren, bewoners van zeeën en zoete wateren. Als kweek- en groeiproduct van waterlopen en waterbekkens, vooral van belang, wanneer hierdoor het productief maken kan worden bereikt van met water bedekte oppervlakten, die voordien productief waardeloos waren. De in Ned. belangrijkste v. zijn in s...

Lees verder
1952
2021-11-29
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Vis

s., fisk; in de zon gedroogde —, sinfisk; — om te bakken, briedfisk; klein -je, toarnfiskje (it), toarnderke (it).

1950
2021-11-29
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Vis

zie het Wdb. (2de art.); — vis acti'va, werkende kracht; — vis a'nimae, geestkracht, zielskracht; —vis arma'ta, gewapende macht; — vis iner'tiae, de werking der traagheid, volhardingsvermogen ; — vis le'gis, de kracht der wet; — vis ma'jor, e...

Lees verder
1949
2021-11-29
Vreemde woorden in de Natuurkunde

Prof. Dr. P.H. van Laer

Vis

(Lat.; = kracht). Voorgestelde eenheid van kracht.