Wat is de betekenis van trillen?

2019
2021-07-25
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

trillen

trillen - Werkwoord 1. (inerg) snel heen een weer bewegen De snaar trilde totdat de harpist deze met zijn hand afdempte. Synoniemen vibreren Verwante begrippen beven, bibberen, huiveren, kloppen, rillen

Lees verder
2018
2021-07-25
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

trillen

trillen - regelmatig werkwoord uitspraak: tril-len 1. snel een klein beetje bewegen ♢ hij zat te trillen van de kou Regelmatig werkwoord: tril-len ik tril jij/u trilt ...

Lees verder
1973
2021-07-25
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

trillen

(trilde, heeft getrild), 1. (zich) snel heen en weer of op een neer bewegen: snaren —; de lucht trilt van de hitte; 2. beven, sidderen: als een espeblad, als een juffershondje; 3. (muziek) een triller uitvoeren; met vibrato ten gehore brengen; meteen trilapparaat bewerken: betonspecie —.

Lees verder
1952
2021-07-25
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Trillen

v., trilje; (van slapheid), trillebilje, lilje, lylje; de lucht trilt boven het land (van warmte), it is tilderich, tillich oer it fjild, it tilt oer it fjild, de waerkatten fleane.

1950
2021-07-25
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Trillen

(trilde, heeft getrild), 1. zich snel heen en weer of op en neer bewegen, zonder dat het geheel zich verplaatst (om een evenwichtstoestand), meestal zo dat een of beide uiteinden van het voorwerp vast zitten: toongevende snaren trillen; de ramen trilden door de ontploffing; 2. beven, sidderen: trillen van angst, van woede, van de k...

Lees verder
1898
2021-07-25
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Trillen

Trillen - (trilde, heeft getrild), snel heen en weer bewegen, beven, sidderen: trillen van angst, van vreugde; trillen van de koude, rillen. TRILLING, v. (-en), het trillen.

1898
2021-07-25
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Trillen

zie Beven, zie Daveren.