Wat is de betekenis van tof?

2019
2021-06-13
Ewoud Sanders

Taalhistoricus en journalist.

tof

goed, betrouwbaar, van de goede soort Volgens de Grote Van Dale (2005) in 1824 voor het eerst aangetroffen. Omstreeks 1840 voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordverzameling uit Zele in Oost-Vlaanderen. Het komt hierin voor in de vormen tof, toffer en tofferen, voor respectievelijk ‘goed’, ‘beter’ en ‘beteren’. Sommigen...

Lees verder
2019
2021-06-13
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

tof

tof - Bijvoeglijk naamwoord 1. (Jiddisch-Hebreeuws) goed, mooi, leuk, fijn 2. populair, gaaf, cool Dat is de tofste gozer die ik ken. tof - Zelfstandignaamwoord 1. (Jiddisch-Hebreeuws) 22ste, laatste letter van het alfabet 2. (Jiddisch-Hebreeuws) getal vierhonderd Woordh...

Lees verder
2018
2021-06-13
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

tof

tof - bijvoeglijk naamwoord 1. heel erg goed of leuk ♢ ik vind het tof dat je met me mee gaat Bijvoeglijk naamwoord: tof de/het toffe ... Synoniemen cool, eindeloos, enig, fantastisch, formidabel, gaaf, geweldig, grandioos...

Lees verder
2017
2021-06-13
Uit Oost en West

verklaring van 1000 woorden uit Nederlands-Indië

tof

zie smous.

Lees verder
1993
2021-06-13
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Tof

leuk; fijn

1973
2021-06-13
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

tof

bn., (gemeenz.) 1. betrouwbaar, goed, van de goede soort of kwaliteit; bijw.: in de klofte, goed in de kleren; toffe jongens, geschikte, sympathieke kerels; 2. fijn, prettig, leuk: een toffe boel.

1955
2021-06-13
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Tof

(Barg.) flink, branie-achtig

1950
2021-06-13
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Tof

bn., (Barg., volkst.), 1. betrouwbaar, van de goede soort: toffe jongens; — (vand.) sympathiek; 2. flink, ferm, kranig, braniachtig; 3. fijn, prettig: dat gaat tof.

Lees verder
1949
2021-06-13
Boevenjargon

Geschreven door Professor Henry Roskam

tof

goed; degelijk; ook: kalm en eerlijk. Het was een toffe goser (een flinke kerel), eigenlijk kachel zag je hem nooit. Hou je maar tof. Hij speelt tof. Dat je een tof niese hebt, wil ik graag geloven. Tof poen, goed geld. Toffe brogers, nette heren. Een tof niese, een mooie meid. Tof gajes, goed volk. Louw tof, niet goed. We hebben een tof melukj...

Lees verder
1948
2021-06-13
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

tof

(Hebr.) goed, degelijk, flink, aardig.

1925
2021-06-13
Nederlandse spreekwoorden

Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (1923-1925) door F.A. Stoett

Tof

komt zeer dikwijls voor in den volksmond; het beteekent goed, leuk, aardig (hebr. tob, goed), en wordt als adjectief en als adverbium gebezigd. Vgl. Köster Henke, 68: Tof, goed, degelijk; ook kalm en eerlijk: een toffe gooser, een flinke kerel; hou je maar tof, tof poen (goed geld); een tof niese, een mooie m...

Lees verder
1919
2021-06-13
uitdrukkingen

Woorden en uitdrukkingen verklaard

Tof

Dat is tof, of alleen: tof! = goed, leuk, prettig. Toffe jongens = goede, echte, prettige lui. Ook wel ironisch. Van ‘t hebr. tauf = goed.

Lees verder
1898
2021-06-13
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Tof

Tof - bn. (diev.) slim, bijdehand : toffe jongens.