Wat is de betekenis van stug?

2019
2022-07-04
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

stug

stug - Bijvoeglijk naamwoord 1. weinig meegevend, weerbarstig Het valt niet mee die stugge vacht te borstelen. 2. weinig waarschijnlijk, niet te geloven Dat lijkt me echt stug. 3. (met name van personen) stijf, niet tegemoetkomend, stuurs ...

Lees verder
2018
2022-07-04
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

stug

stug - bijvoeglijk naamwoord, bijwoord 1. wat je bijna niet kunt geloven ♢ dat hij het kanaal is overgezwommen, lijkt mij een stug verhaal 2. moeilijk te bewerken, moeilijk te buigen ♢ dit leer is zó stug, da...

Lees verder
1973
2022-07-04
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

stug

bn. en bw. (-ger, -st), 1. moeilijk te bewegen of zich bewegend, onbuigzaam; (ook fig.) zijn stugge nek; moeilijk te bewerken; stugge grond, koude, vochtige, stijve grond; — hout; 2. (als karaktereigenschap) weerbarstig, niet gemakkelijk in de omgang; 3. (handel) niet vlot, niet willig; 4. stevig, flink: hij loopt — door.

Lees verder
1952
2022-07-04
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Stug

adj. & adv., steech, steuch, stjûch, stoef, stroef, stiif, stymsk; hij is een — man, hy is stiif yn ’e rêch; (v. grond, hout), wreed; (v. haar), stribb(el)ich.

1950
2022-07-04
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Stug

bn. bw. (-ger, -st), 1. moeilijk te bewegen of zich bewegende, onbuigzaam; ook fig.: zijn stugge nek; 2. (van stoffen) stijf, weinig buigzaam, moeilijk te bewerken: stugge kaas; stug leer; stugge verf, die onvoldoende vloeit; — stugge metselspecie, die zich niet gemakkelijk laat uitstrijken; — stugg...

Lees verder
1937
2022-07-04
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

stug

I. stugger, stugst, bn. (1 stijf, moeielijk te bewegen of te buigen, hard, onbuigzaam, ook fig.; 2 van stoffen en voorwerpen: stijf, weinig buigzaam, weerbarstig, moeielijk te bewerken; 3 weer: ongunstig; 4 van personen: stijf-onvriendelijk, niet meegaande, niet tegemoetkomend, stuurs; 5 blijk gevende van een stug karakter, stugge gemoedsstemming;...

Lees verder
1898
2022-07-04
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Stug

Stug - bn. bw. (-ger, -st), onbuigzaam: stug leer; — stug hout, dat zich moeilijk laat bewerken; — (fig.) onvriendelijk: hij heeft een stuggen aard, een stug karakter; — dat staat me stug aan, dat bevalt mij niet; — de handel was stug, niet willig. STUGHEID, v. stijfheid; strengheid; onvriendelijkheid.

Lees verder
1898
2022-07-04
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Stug

zie Barsch.