Wat is de betekenis van slof?

2024-02-29
Algemeen Nederlands Woordenboek

Algemeen Nederlands Woordenboek (2009-heden)

slof

Het begrip slof heeft 8 verschillende betekenissen: 1) slappe pantoffel. slappe pantoffel zonder hak, die meestal in huis wordt gedragen om de voet warm te houden; slap stuk schoeisel zonder hak. 2) voetbalschoen. schoen die gebruikt wordt om mee te voetballen; schoen die gedragen wordt in het voetbalspel; schoen die gedragen wordt b...

2024-02-29
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2024)

slof

1) (1997) (inf.) autoband. • Slof (m.) Synoniem voor autoband. “Er zat weinig profiel meer op de sloffen van die zespitter.” (NRC Handelsblad, 06/02/1997) • De smalle racebanden van toen zijn vervangen door dikke sloffen om het meer dan dubbele vermogen van tegenwoordig goed op het asfalt te brengen. (de Stentor/Zwolse Couran...

2024-02-29
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

slof

slof - zelfstandig naamwoord 1. lichte schoen voor in huis ♢ als hij thuiskomt doet hij zijn sloffen aan 1. iets op zijn sloffen kunnen [heel gemakkelijk] 2. uit zijn slof schie...

2024-02-29
Jargon & Slang van Voetballers

Marc De Coster (2017)

Slof

Slof - voetbalschoen. 'Het leer op z'n slof nemen': de bal wegschieten.

Wil je toegang tot alle 14 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-02-29
Zuid-afrikaans woordenboek

H.J. Terblanche - M.A., D. Litt

slof

slowwe, verslete skoen; (vertrapte) pantoffel; slordige mens, geslof, met sleepvoete voortstrompel; nalatig wees; talm.

2024-02-29
Agrarisch Encyclopedie

Veerman (1954)

Slof

De aardbeien-s. of chip is een gevlochten spanen mandje, o.a. gebezigd bij het oogsten van aardbeien.

2024-02-29
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Slof

1. s., slof, toffel. 2. adj. & adv., slof, sleau.

2024-02-29
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

SLOF

I. m., 1. de handeling van sloffen, trage voortgang: de slof is er in, men is er zeer nalatig mee; in de slof blijven, ongedaan blijven; — uit zijn slof schieten, iets flinker aanpakken, niet langer nalatig zijn; (ook) boos, driftig worden; (ook) meer zeggen dan gewoonlijk: een rake of leuke opmerking laten horen; (ook) m...

2024-02-29
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

slof

I. m. in bet. 3 sloffen (1 de handeling van sloffen, in zegsw.; 2 danswijsje, vero.; 3 treuzelaar, lijs): 1. uit zijn slof schieten, a) onverwacht in actie komen, b) plotseling boos of driftig worden, c) een rake of leuke opmerking maken; 2. slofjes als Jaapje-sta-stil; 3. Jan Salie, de patroon aller sloffen. II. v. sloffen (1 slappe pantoffel [zo...

2024-02-29
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Slof

Het begrip slof heeft 4 verschillende betekenissen: 1. slof - SLOF - v. het sloffen, verzuim, verwaarloozing : de slof is er in. men is er zeer nalatig mee ; — in de slof blijven, ongedaan ; — uit zijne slof schieten, iets flinker aanpakken, niet langer nalatig zijn. 2. slof - SLOF - v. (-fen), groote ruime pantoffel inz. met neerget...

2024-02-29
Handwoordenboek van Nederlandsche synoniemen

J.V. Hendriks (1898)

Slof

zie Achteloos.

2024-02-29
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Slof

Slof, v. gmv. slordigheid; het sloffen. *-, v. (-fen), versleten muil, pantoffel; (fig.) op -fen loopen, aan den bedelstaf zijn. *-, (zeew.) zek. houtwerk. *-, m. en v. slordig -, vuil mensch. *-, bn. en bijw. (-fer, -st), *-FELIJK, bijw. nalatig, slordig, achteloos. *-FEN, ow. gel. (ik slofte, heb gesloft), op sloffen loopen; met sleepvoeten loo...

2024-02-29
Zeemans woordenboek

Jacob van Lennep (1865)

Slof

z.n.v. - Stuk onder tegen de klit van ’t roer aangebracht.

2024-02-29
Etymologicum 1573

Cornelis Kiliaan (1573)

Slof

holl. j. sloef. Sordidatus.