Wat is de betekenis van pak?

2022
2022-08-11
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2022.

pak

1) (1977) (wielr.) peloton. In het Franse wielerargot: le paquet. Engels: the bunch, the pack. • Ik schoot nog voorbij het ganse pak, behalve dan Ovion die me een half metertje te vlug af was. (Noël Couëdel: Maertens. Van uitdager tot kampioen. 1977) • De jonge Skala-coureur bevestigde zijn al in de Tirreno opgebouwde faam als...

Lees verder
2020
2022-08-11
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

pak

Het begrip pak heeft 8 verschillende betekenissen: 1) ingepakt geheel. iets wat ingepakt of bijeengepakt is en zo een geheel vormt, en dat vaak bestaat uit gelijksoortige zaken, maar soms ook uit ongelijksoortige zaken en soms ook uit een enkel exemplaar ergens van; enige gelijke of verschillende voorwerpen die bij elkaar gebonden, in elkaar...

Lees verder
2018
2022-08-11
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

pak

pak - zelfstandig naamwoord 1. kartonnen doos waar levensmiddelen in zitten ♢ ik koop drie pakken melk 2. bundel van iets ♢ hij heeft een pak oude kranten bij zich 1. een dik pak...

Lees verder
2017
2022-08-11
Bodemrichtlijn

Richtlijn herstel en beheer (water)bodemkwaliteit

PAK

PAK is verzamelnaam van stoffen die onder de titel Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen staan opgenomen in de circulaire bodemsanering behorende bij de Wbb.

2017
2022-08-11
Wielrenners

Jargon & Slang van Wielrenners

Pak

Pak - term voor peloton. Vgl. Fr. le paquet; Eng. the bunch, the pack. 'Het pak zijn achterwiel laten zien': het peloton voorbijrijden. 'In het pak zitten': in een verloren positie verkeren. 'In het pak gestoken worden': eig. opgelicht, beduveld worden. In wielerterminologie meer specifiek: een ontsnapping missen door onoplettendheid; door een comb...

Lees verder
2010
2022-08-11
Wielerwoordenboek

Geschreven door Fons Leroy en Wim van Rooy

pak

pak: het peloton; wieleroutfit.

2009
2022-08-11
Groot wielerwoordenboek

Geschreven door Marc De Coster

pak

Informele term voor het wielerpeloton. In het Franse wielerargot: le paquet. Engels: the bunch, the pack. Ik schoot nog voorbij het ganse pak, behalve dan Ovion die me een half metertje te vlug af was. (Noël Couëdel: Maertens. Van uitdager tot kampioen. 1977) De jonge Skala-coureur bevestigde zijn al in de Tirreno opgebouwde faam als spurter door...

Lees verder
2009
2022-08-11
Wielersportwoordenboek

Wielersportwoordenboek door Jan Luitzen ©

pak

(het; -ken) 1 spreektaal - peloton, syn. meute, bende, hoofdmacht: hij kwam uit het pak, hij sprintte uit het peloton weg. 2 AL - enige gelijke of verschillende voorwerpen die bij elkaar gebonden, in elkaar gerold of met iets omwonden zijn, zodat zij een geheel vormen: iem. in het pak steken, naaien, iem. flikken. • In het pak zitten: in verloren...

Lees verder
2000
2022-08-11
Bijbels Lexicon

Door Karina van Dalen-Oskam & Marijke Mooijaart

Pak

Bij de pakken neerzitten, uit moedeloosheid niet handelen. De herkomst van deze uitdrukking is Genesis 49:14 in de Statenvertaling, waar aartsvader Jakob op zijn sterfbed tot zijn zonen over één van hen spreekt: ‘Issaschar is een sterck gebeent Esel, neder liggende tusschen twee packen’. Het vervolg in vers 15 verduidelijkt de instelling van Issaka...

Lees verder
1999
2022-08-11
Woordenboek van Neologismen

Geschreven door Marc de Coster ©

Pak

Pak - (Fr. le pacquet), het wielerpeloton. De jonge Skala-coureur bevestigde zijn al in de Tirreno opgebouwde faam als spurter door twee keer het hele pak (inklusief Guido Bontempi) zijn achterwiel te laten zien. Wieler Revue, 13-03-88 Maar zo snel als hij uit het pak kwam geflitst, zo snel viel hij ook stil en had Gölz weinig moeite om onze natio...

Lees verder
1998
2022-08-11
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Pak

1. een - op zijn bliksem krijgen,zie opzijn bliksem krijgen. 2. iemand in het - steken/nemen,hem of haar oplichten, bedriegen. Bargoense uitdr. die al vermeld wordt door Harrebomée (verklaard als ‘iemand foppen’). Misschien speelt hier de gedachte aan inpakken‘(iemand) met mooie woorden om de tuin leiden’. Mogelijk ook een zinspeling op het pak of...

Lees verder
1998
2022-08-11
drs. Toine van Hoof

AUTEUR VAN HET BRIDGE WOORDENBOEK - "BRIDGE OPZOEKBOEK" (UITGAVE 1998)

pak

1. Groot aantal. Uitsluitend in de uitdrukking ‘een pak af’: veel down. 2. Het hele pak: alle (resterende) biedkaarten op tafel leggen, d.w.z. 7SA bieden.

Lees verder
1983
2022-08-11
Lexicon van Nederlandse archieftermen

Lexicon van Nederlandse archieftermen

Pak

Een pak is een omvangrijk aantal bescheiden, bijeengehouden door een daaromheen gevouwen blad papier. Deze definitie is gelijkluidend aan N.A.T. nr. 11. Zie de toelichting onder omslag.

Lees verder
1952
2022-08-11
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Pak

s.n., pak (it); (costuum), pak klean (it); het Zondagse —, de Sneinse klean; eensneeuw, in jacht, pak snie; eenslaag, in wan bruijen, in wan, pak op ’e hûd; een natgehaald hebben, der yn sitten hawwe.

Lees verder
1950
2022-08-11
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Pak

I. o. (-ken), 1. enige gelijke of verschillende voorwerpen bij elkander gebonden, in elkander gerold of met iets omwonden, zodat het een geheel vormt: een pak boeken, brieven, papieren; een pak vuil linnen; — in toepassing op zaken die ter verzending gereedgemaakt zijn, en daartoe worden verpakt: een pak per spoor verzenden...

Lees verder
1937
2022-08-11
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

pak

o. pakken (1 iets, dat bijeengepakt of ingepakt is; inz. een of meer zaken van gelijke of verschillende aard, die bij elkaar gebonden, opgerold, of met iets omwikkeld zijn, zodat zij een geheel vormen; bundel; 2 een bijeengevoegd geheel, zonder dat er van eigenlijk inpakken sprake is; 3 een geheel stel bovenkleren b.v. jas, vest, broek; 4 een drach...

Lees verder
1910
2022-08-11
Handelslexicon

Handelslexicon (1910) door J. Hagers

Pak

Pak - getalmaat van zekere goederen: 1 pak papier is 15 balen, 1 pak laken is 10 stukken.

1900
2022-08-11
Collectie Nederland

Collectie Nederland: Musea, Monumenten en Archeologie

PAK

PAK, polycyclische aromatische koolwaterstoffen, is een verzamelnaam voor een grote groep verbindingen. PAK bestaan uit teerachtige stoffen die als basis een skelet van ten minste twee benzeenringen hebben. Meestal komen PAK met een aantal tegelijk voor. De meeste PAK zijn zeer milieubezwaarlijk doordat ze giftig, kankerverwekkend en/of slecht afbr...

Lees verder
1898
2022-08-11
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Pak

Het begrip pak heeft 3 verschillende betekenissen: 1. pak - pak - o. (-ken), eenige gelijke of verschillende voorwerpen bij elkander gebonden, in elkander gerold of met iets omwonden, zoodat het eene soort van geheel vormt: een pak boeken, brieven, papieren, een pak vuil linnen; — dikwijls van eene bepaalde maat, hoeveelheid of gewicht: een...

Lees verder
1898
2022-08-11
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Pak

zie Bos.