pak betekenis & definitie

Het begrip pak heeft 18 verschillende betekenissen:

1) samenhangend of bijeengevoegd geheel van meestal concrete, gelijksoortige stoffen, zoals stro of sneeuw, of voorwerpen, bijvoorbeeld papieren, kaarten of stenen, zonder dat die verpakt, ingepakt of omwonden zijn; hoeveelheid gelijksoortige voorwerpen bij elkaar
2) een flinke hoeveelheid klappen (geven, krijgen, verdienen); stevige slaag (geven, krijgen, verdienen)
3) een flinke hoeveelheid klappen (geven, krijgen); stevige slaag (geven, krijgen)
4) zich laten ontmoedigen en alles op zijn beloop laten en het opgeven; teleurgesteld en moedeloos zijn
5) zaak die op een persoon of zaak is geladen is om gedragen of vervoerd te worden en die meestal zwaar is; last
6) een grote opluchting (zijn)
7) een flinke hoeveelheid klappen (geven, krijgen, verdienen, verkopen); stevige slaag (geven, krijgen, verdienen, verkopen)
8) iets wat ingepakt of bijeengepakt is en zo een geheel vormt, en dat vaak bestaat uit gelijksoortige zaken, maar soms ook uit ongelijksoortige zaken en soms ook uit een enkel exemplaar ergens van; enige gelijke of verschillende voorwerpen die bij elkaar gebonden, in elkaar gerold of met iets omwonden zijn, zodat zij een geheel vormen; in een geheel ingepakte of verpakte voorwerpen
9) nat worden; natte kleren krijgen of hebben
10) een flinke hoeveelheid klappen (geven, krijgen); stevige slaag (geven, krijgen)
11) polycyclische aromatische koolwaterstof; groep van olieachtige en teerachtige, kankerverwekkende stoffen
12) kleding die als een geheel gedragen wordt, meestal voor een bepaalde gelegenheid of activiteit of bij het vervullen van een bepaalde functie
13) verpakking van iets, meestal van een bepaald product, bijvoorbeeld koffie, melk of suiker, in een afgepaste hoeveelheid, vaak gemaakt van karton
14) een flinke hoeveelheid klappen (geven, krijgen, verkopen); stevige slaag (geven, krijgen, verkopen)
15) hetzelfde; dezelfde situatie
16) kostuum dat bij formele gelegenheden gedragen wordt, meestal door mannen, en dat vaak bestaat uit een broek en een bijbehorend jasje
17) grote hoeveelheid; flinke hoeveelheid; stel
18) met al iemands spullen; met iemands hele hebben en houden

Gepubliceerd op 30-05-2017