Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

pak

betekenis & definitie

pak - zelfstandig naamwoord

1. kartonnen doos waar levensmiddelen in zitten
ik koop drie pakken melk
2. bundel van iets
♢ hij heeft een pak oude kranten bij zich
1. een dik pak sneeuw
[heel veel sneeuw]
3. wat ingepakt is
♢ er kwam een pakje met de post
4. broek met jasje voor mannen
♢ vader droeg een pak met een grijs streepje
1. zich in het pak laten steken
[opgelicht zijn]
2. in het pak genaaid zijn
[opgelicht zijn]
5. een opgelegde last
♢ het is een heel pak wat hij te dragen heeft
1. ieder moet zijn eigen pak(je) dragen
[heeft zijn aandeel in ellende en verdriet]
2. ieder denkt dat zijn pakje het zwaarst is
[dat anderen het gemakkelijker hebben]
3. bij de pakken neer gaan zitten
[moedeloos worden en niets meer ondernemen]
4. zij heeft haar pakje afgelegd
[ze is bevallen]
5. dat is een pak van mijn hart
[een grote opluchting]

Algemene uitdrukkingen:
1. een pak slaag krijgen
[klappen krijgen]
Zelfstandig naamwoord: pak
het pak
de pakken
het pakje

Synoniemen
kostuum, pakket