Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2022.

Gepubliceerd op 23-07-2021

pak

betekenis & definitie

1) (1977) (wielr.) peloton. In het Franse wielerargot: le paquet. Engels: the bunch, the pack.

• Ik schoot nog voorbij het ganse pak, behalve dan Ovion die me een half metertje te vlug af was. (Noël Couëdel: Maertens. Van uitdager tot kampioen. 1977)
• De jonge Skala-coureur bevestigde zijn al in de Tirreno opgebouwde faam als spurter door twee keer het hele pak (inklusief Guido Bontempi) zijn achterwiel te laten zien. (Wielerrevue, 13/05/1988)
• Zowel in Glasgow, Birmingham als in het kriterium te Londen was hij de snelste van het pak. (Wieler Revue, 15/09/1989)
• Terwijl het pak (peloton) zich bij de meet (zowel begin- als eindpunt van een wedstrijd) schaarde, werden nog wat prognostieken (voorspellingen) uitgewisseld. (Nieuwsblad van het Noorden, 02/04/1990)

2) (1980+) (drugs) coke. Zie ook: pakje*.

• Ze kopen vooral coke, nauwelijks speed en pillen. ‘Een paar jaar geleden kwamen sommige gabbers voor pillen, aso's voor speed en yuppen voor coke. Nu is iedereen aan de pak (coke, red). (Spunk, 08/08/2007)
• Voor drugs zijn er ‘pak’ voor (een kleine dosis) cocaïne, ‘pitje’ voor een beetje wiet en ‘prik’ voor junkie. (NRC Handelsblad, 19/01/2018)