Wat is de betekenis van middel?

2019
2022-11-30
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

middel

middel - Zelfstandignaamwoord 1. het midden 2. iets met behulp waarvan een doel bereikt kan worden Dat is een middel, niet een doel. 3. (medisch) iets dat wordt aangewend om ziekte, ongesteldheid te bestrijden, (verkort voor geneesmiddel) Tegen die ziekte is nog...

Lees verder
2018
2022-11-30
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

middel

middel - zelfstandig naamwoord uitspraak: mid-del 1. smalste deel van je romp ♢ik heb een riem om mijn middel 2. wat je gebruikt om iets te bereiken ♢werkt dit middel tegen hoofdpijn? ...

Lees verder
2004
2022-11-30
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema

middel

- bij middel van, door middel van. Het is hartverwarmend dat iemand, verblijvend in een overzees en overheerlijk vakantieoord, bij middel van een prentkaartje tóch nog denkt aan het thuisfront. Al is het dan nog een charmant middeltje om de kennissenkring heel terloops te laten weten datje er even tussenuit wou op Korfoe dan wel de Ca...

Lees verder
1952
2022-11-30
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Middel

1. s.n., middel (it); eentegen, in middel foar; hetis erger dan de kwaal, it keal is greater as de kou. 2. s.; (taille), mil, mul; een slank(e) —, in kliene mul.

Lees verder
1950
2022-11-30
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Middel

I. MIDDEL bn., in het midden zijnde (alleen nog in afl. en samenst.). II. MIDDEL, v. en o. (-s), middelste deel van het lijf, taille: iem. om het middel vatten; het. kleed is om het middel te nauw. III. MIDDEL o. (-en), 1. wat gebezigd wordt om zeker doel te bereiken, om tot iets te geraken: de middelen w...

Lees verder
1937
2022-11-30
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

middel

1. bn.; in het midden zijnde, alleen nog in afleidingen en samenst.; 2. v. en o. -s, middeltje; het middelste deel van het lichaam, tussen onder- en bovenlijf: een dame met een dun(ne) middel; de oude Turk droeg een lang gewaad met een gordel om de (of: het) middel: 3. o. -en, middeltje: 3.1 datgene, wat men aanwendt, om tot een doel te geraken: ie...

Lees verder
1933
2022-11-30
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Middel

(philos.), tweede of afhankelijke of tusschenoorzaak. Elk schepsel bijv. is m. in Gods hand en elk werktuig of instrument een m. in de hand van den werkman (➝ Oorzaak). Elk schepsel is bijv. ook m. tot het einddoel, God; elk gebruiks- of nuttigheidsgoed m. tot een verder doel (➝ Finaliteit). Het doel heiligt de middelen, in zooverre een in zich ind...

Lees verder
1930
2022-11-30
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

middel

(’middəl) A. bn. in het midden zijnde, middelst, alleen in samenstellingen : -blad, -schot. Opm. De jongere taal geeft veelal de voorkeur aan midden-, boven middel-. Vaak zijn beide vormen nog in gebruik. B. o. I. (—s; -tje) Eig. 1. Alom. Veroud. middelste deel. 2. Inz. middelste deel van het lichaam: een dun, rank, slank -tje; hij dro...

Lees verder
1911
2022-11-30
pluim

Keur van Nederlansche woordafleidingen

Middel

eig. een afl. van mid (zie Midden), vgl. middelpunt, enz. Daarna als z.n.w.: wat zich in ’t midden bevindt: bijv.: het middel = het middellijf, maar ook: ding in het midden van twee anderen, waardoor iets wordt „bemiddeld”, wordt gemaakt, tot stand komt: snijden door middel van een mes: het mes bevindt zich te midden van de hand e...

Lees verder
1869
2022-11-30
Geographisch

Geographisch-woordenboek

Middel

in samenstellingen zooveel als het middelste gedeelte, zoo bijv.: Middel-Europa, MiddelAzië, Middel-Afrika, Middel-Amerika, waarvoor ook dikwijls Centraal-Amerika, enz. aangetroffen wordt. Middel-Duitschland is de algemeene benaming waaronder men te verstaan heeft: het koninkrijk en de hertogdommen Saksen, de Schwartzburgsche en reussische lan...

Lees verder
1864
2022-11-30
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Middel

Middel, bn. en bijw. in het midden. *-, v. (B.v. en o.) middellijf. *-, o. (-en), iets (stoffelijks of zedelijks) dat gebezigd wordt om eene zekere uitkomst te verkrijgen, - tot iets te geraken enz.; weg, gelegenheid; vermogen, rijkdom. Zie MIDDELEN. *-AAR, m. (-s), bemiddelaar, scheidsman, tusschenpersoon; (H.S.) de Zaligmaker. *-AARSAMBT, *-AAR...

Lees verder