Wat is de betekenis van Hoog?

2019
2021-04-18
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

hoog

hoog - Bijvoeglijk naamwoord 1. fysiek ver boven iets anders 2. vergevorderd in een rangorde of volgorde 3. (geluid) met een groot aantal trillingen per tijdseenheid 4. met een groot aanzien 5. (aardrijkskunde) meer boven de zeespiegel gelegen de Hoge Ardennen 6. (aardrijkskunde) meer naar het No...

Lees verder
2018
2021-04-18
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

hoog

hoog - bijvoeglijk naamwoord 1. behoorlijk ver van de grond ♢ de doelman maakte een hoge sprong 1. de ruzie liep hoog op [was erg heftig] 2. dat zit haar erg hoog ...

Lees verder
2017
2021-04-18
Wielrenners

Jargon & Slang van Wielrenners

Hoog

Hoog - 'hoog rijden': boven in de wielerbaan rijden. 'Te hoog zitten': met een te grote versnelling fietsen. Vgl. Fr. mettre tout à droite. Ertegenover staat: te laag fietsen. Hoog is ook de uitroep van een renner naar zijn voorganger wanneer hij aan de binnenkant van de bocht ruimte wil krijgen.

2009
2021-04-18
Groot wielerwoordenboek

Geschreven door Marc De Coster

hoog

Uitroep van een renner naar zijn voorganger wanneer hij aan de binnenkant van de bocht ruimte wil krijgen.

2008
2021-04-18
Atletiek- en turnwoordenboek

Atletiek- en turnwoordenboek door Jan Luitzen

hoog

(het; g.mv.) so spreektaal - hoogspringen; af en toe vertoonde hij zijn kunsten bij hoog en polshoog.

1998
2021-04-18
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Hoog

1. een hoge rug hebben, soldatentaal (Indonesië) voor ‘een erectie hebben’. 2. hoge mieter,hooggeplaatst persoon. Oorspr. soldatenslang, gebruikt bij de artillerie, periode 1860 - 1885. Mieteris een hoofddeksel (van Latijn mi tra‘muts, hoofddeksel’). Het heeft hier dus een andere bet. dan in de talrijke verhingen en uitdr. waarin mietereen verkorti...

Lees verder
1998
2021-04-18
drs. Toine van Hoof

AUTEUR VAN HET BRIDGE WOORDENBOEK - "BRIDGE OPZOEKBOEK" (UITGAVE 1998)

hoog

1. Van een kaart: de hoogst overgeblevene in een kleur. Zie ook: vrije kaart 2. Van een hand op een bepaald moment in het afspel: uitsluitend hoge kaarten bevattend. 3. Een hoog contract: contract met weinig kans van slagen. 4. Verzoek aan de dummy om diens hoogste kaart in de gevraagde kleur bij te spelen.

Lees verder
1993
2021-04-18
Peter Timofeeff

Prisma van het Weer

Hoog

Zie: hogedrukgebied

1980
2021-04-18
Blauwe Scheen

Lexicon Beeldende Kunstenaars

Hoog

Zie Haag.

1978
2021-04-18
Germanismen in het Nederlands

Dr. S. Theissen

Hoog

In de betekenis van ‘zeer’ wordt hoog door de meeste puristen als een germanisme (D. ‘hoch’) beschouwd: zo moet men bijv. hoogfijn en hoogontwikkeld vervangen door resp. ‘zeer fijn, allerfijnst’ en ‘zeer gevorderd in ontwikkeling’. In de woordenboeken zal men dergelijke samenstellingen met het germani...

Lees verder
1969
2021-04-18
Pieter Scheen

Rode Scheen: Lexicon Nederlandse beeldende kunstenaars 1750-1950

Hoog

Hoog - zie Haag.

1954
2021-04-18
Medisch

Eerste Medisch Systematische Ingerichte Encyclopedie

Hoog

een in allerlei verband gemaakte hiërarchische onderscheiding tegenover „laag” vooral in de fylogenie, de ontogenie en de neuro-psychologie (waar dan de meest gecompliceerde vormen of functies als het hoogst worden beschouwd).

1952
2021-04-18
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Hoog

adj. & adv., heech; — van bouw, heechstallich; — opstaand, heechop(pich); een vrij hoge prijs, in stive priis; eenwoord voeren, in steil wurd dwaen; bijen bij laag, by heech en by leech, by tsjok en by tin; — lopen (v. twist), om mâllens gea...

Lees verder
1950
2021-04-18
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Hoog

I. bn. bw. (hoger, -st), 1. ver opwaarts reikende, verheven (het tegenovergestelde van laag): een hoge berg ; hoge bomen ; een hoge toren; — ook alleen met gedachte aan de afstand tussen grondslag en bedekking of bovenstuk : een huis met hoge vertrekken; hoge vensters; bij zaaknamen dikwijls om een bep. mode...

Lees verder
1916
2021-04-18
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Hoog

Hoog - (Johannes Leonardus de), Nederl. dramaticus, geb. 1797 te Werth in Westfalen, uit Nederl. ouders, en overl. 1847 als commies bij ’s Rijks marinewerf te Amsterdam. Men heeft van hem historische treurspelen, blijspelen, luimige politieke dichtstukken, enz.; vermeld worden hier: De zonen van Johan van Oldebarneveldt (treurspel, 1827), Hannibal...

Lees verder
1898
2021-04-18
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Hoog

HOOG, bn. bw. (-er, -st). ver opwaarts reikende, verheven (het tegenovergestelde van laag): een hooge berg; hooge boomen; een hooge toren; een huis met hooge vertrekken; een hoog gevaarte; een stapel van drie voet hoog; — eene slagorde van vijf man hoog, van vijf gelederen; geweer hoog!, zeker militair commando; — hoog wappert de driek...

Lees verder