Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

2017-11-14

hoog

betekenis & definitie

hoog - bijvoeglijk naamwoord

1. behoorlijk ver van de grond
♢ de doelman maakte een hoge sprong
1. de ruzie liep hoog op
[was erg heftig]
2. dat zit haar erg hoog
[dat houdt haar erg bezig]
3. hij zit hoog en droog thuis
[veilig thuis]
4. hij zweert het bij hoog en bij laag
[zegt dat het zeker waar is]
5. een hoge borst opzetten
[verwaand zijn]
6. dat is te hoog gegrepen
[te moeilijk]
7. iets hoog houden
[in ere houden]
8. je kunt hoog of laag springen, maar...
[om duidelijk te maken dat je niet van mening zult veranderen]
9. de lat hoog leggen
[hoge eisen stellen]
10. hoog tegen iemand opkijken
[veel bewondering voor hem hebben]
11. geen hoge pet op hebben van iemand
[niet veel van hem verwachten]
12. hoog van de toren blazen
[een grote mond hebben]
13. iets hoog in zijn vaandel hebben
[er veel waardering voor hebben]
14. het neemt een hoge vlucht
[ontwikkelt zich goed en snel]
15. geen zee gaat hem te hoog
[hij laat zich nergens door afschrikken]
2. met een grote waarde
♢ ze vragen een hoge prijs voor dit huis
3. scherp, licht en helder
♢ ze heeft een hoge stem
1. het hoogste lied zingen
[luidkeels laten horen dat je blij bent]
2. het hoogste woord hebben
[druk en zelfbewust praten]
4. ver in rang of volgorde
♢ de hogere klassen hebben vrij
1. in hoge mate
[zeer]
2. hoge ogen gooien
[er veel kans op hebben]
3. iemand te hoog aanslaan
[hem te veel belasting laten betalen]
4. hoge lasten hebben
[veel moeten betalen voor woning en onderhoud]
5. ten hoogste
[maximaal]
5. wat beter of edeler is dan het gewone
♢ zij hebben hoge verwachtingen van hun zoon
1. een hoge dunk van jezelf hebben
[denken dat je beter bent dan anderen]
2. iemand hoog hebben
[eerbied, respect voor hem hebben]
3. een hogere macht
[bovenaards wezen of principe]
4. in hogere sferen zijn
[wegdromen]
6. als (van) iemand die hooggeplaatst is
♢ hij is van hoge afkomst
1. hoger beroep aantekenen
[herziening vragen van een vonnis]
2. geen hoge dunk van iemand hebben
[hem minachten]
3. op zijn hoogst
[in het uiterste geval]
4. de Hoge Raad
[hoogste rechtbank van Nederland]
5. hoog spel spelen
[riskante dingen doen]
6. dat is hogere wiskunde voor mij
[dat vind ik heel moeilijk]
7. zo ver als aangegeven
♢ hij woont drie hoog

Algemene uitdrukkingen:
1. hoge nood hebben
[naar het toilet moeten]
2. het is hoog tijd
[we kunnen niet wachten]
3. in hoge mate
[zeer, ruimschoots]
4. de strijd loopt hoog op
[wordt steeds erger]
5. hoog aan de wind zeilen
[bovenwinds]
6. iets bij hoog en laag beweren
[heel stellig]
7. iets hoog opnemen
[het iemand zeer kwalijk nemen]
8. het hoge woord is eruit
[hij heeft het eindelijk gezegd]
9. het zit hem hoog
[hij is er heel verontwaardigd over]
Bijvoeglijk naamwoord: hoog
... is hoger dan ...
het hoogst
de/het hoge ...
iets hoogs

Synoniemen
deftig, nobel, verheven, voornaam

Tegenstellingen
laag