Wat is de betekenis van hij?

2026-08-12
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Hij

I. pers....

2026-08-12
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

hij

hij - Persoonlijk voornaamwoord 1. mannelijk derde persoon...

2026-08-12
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

hij

hij - voornaamwoord 1. derde persoon enkelvoud, mannelijk...

2026-08-12
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans (1977)

hij

hij - eufemisme voor het mann. lid....

2026-08-12
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Hij

pron., hy, hij; (in bep. gevallen), er.

2026-08-12
Boevenjargon

Professor Henry Roskam (1949)

hij

Donderdag. Zie: heitje.

2026-08-12
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

hij

1. pers....

2026-08-12
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

hij

1. m....

2026-08-12
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

hij

I. pers....

2026-08-12
Etymologisch Woordenboek

Instituut voor de Nederlandse taal

hij

hij vnw. 3e pers....

2026-08-12
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Hij

HIJ, pers. vnw....

2026-08-12
Prisma Nederlands-Spaans

Unieboek | Het Spectrum (2025)

2026-08-12
Prisma Nederlands-Frans

Unieboek | Het Spectrum (2025)

2026-08-12
Prisma Nederlands-Engels

Unieboek | Het Spectrum (2025)

2026-08-12
Prisma Nederlands-Duits

Unieboek | Het Spectrum (2025)

2026-08-12
Prisma NL Sranantongo

Unieboek | Het Spectrum (2025)

2026-08-12
Prisma Nederlands Fries

Unieboek | Het Spectrum (2025)

2026-08-12
Prisma Groot Woordenboek Nederlands

Unieboek | Het Spectrum (2025)

2026-08-12
Woordenboek Nederlands-Turks

Mehmet Kiriş (2024)

2026-08-12
Prisma Woordenboek Nederlands

Unieboek | Het Spectrum (2025)