hij betekenis & definitie

hij - Persoonlijk voornaamwoord
1. mannelijk derde persoon enkelvoud nominatief
tab tab1">♢ Hij heeft een hoed.
Wie heeft het gedaan? Hij!

Woordherkomst
afkomstig van:
Middelnederlands: hi, hie
Oudernederlands: hi
Germaans: *hiz
Indo-Europees: *ki-

Synoniemen
ie, -ie

Gepubliceerd op 04-12-2017