Wat is de betekenis van Groot?

2024-02-25
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

groot

groot - Bijvoeglijk naamwoord 1. meer dan normaal in formaat 2. bewonderenswaardig, goed Hij was een groot man. 3. machtig, belangrijk 4. volwassen Grote mensen en kinderen. groot - Bijwoord 1. in ruime mate 2. bijwoordelijk deel...

2024-02-25
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

groot

groot - bijvoeglijk naamwoord 1. met flinke afmetingen ♢ wij wonen in een groot huis met tien kamers 1. de grote mensen [de volwassenen] 2. de grote vakantie ...

2024-02-25
Samenvattingen Wikipedia

Wiki (2017)

groot

Voortekening Verwante toonaarden Parallelle toonaard fis-mineur Gelijknamige toonaard a-mineur Dominante toonaard E-majeur Subdominante toonaard D-majeur Toonladder a - b - cis - d - e - fis - gis - a Portaal Muziek. A-majeur, A grote terts of A-groot is een toonsoort met als grondtoon a. De voortekening telt drie kruisen: fis, cis en gis. Het is...

2024-02-25
Mokums woordenboek

Ditte Simons en Hans Heestermans (2014)

groot

groot met elkaar, grote ruzie met elkaar: Doodgooi?... herhaalde Alie, nu pas haar eigen driftdaad beseffend ... Nou ... al hei-je ’t nog soo groot mit mekaar ... daar pees je niet op, QUERIDO 4, 162.

Wil je toegang tot alle 20 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-02-25
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc de Coster (1998)

Groot

1. de grote broek aantrekken,opscheppen; maar ook ‘ambities hebben’. Vrij recente uitdr. (jaren tachtig?). Standhouden dus, luidt het motto. Brinkman heeft niet voor niets de grote broek aangetrokken; een opstelling die wordt versterkt door het geloof dat alleen een onaangenamer WAO de instroom substantieel kan beperken. (Trouw, 15/08/91) Confectie...

2024-02-25
Vloeken lexicon

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg (1997)

groot

Voor de vloek o grote góden zie genade, goedheid, Mozes.

2024-02-25
Lexicon Nederland en België

Liek Mulder (1994)

Groot

Groot (Grotius), Hugo de, Nederlands jurist, theoloog, dichter en historicus, *10.4.1583 Delft, +28.8.1645 Rostock. De Groot studeerde in Leiden en promoveerde in 1599 in Orléans. In 1609 verscheen van zijn hand Mare Liberum (een hoofdstuk uit De iure praedae commentarius), waarin hij de stelling verdedigde dat de volle zee aan niemand toebehoorde....

2024-02-25
Art & Architecture Thesaurus

Getty Research Institute (1990)

groot

groot - Engelse zilveren munten die oorspronkelijk vier pennies waard waren; ze werden tussen de 13e en de 17e eeuw uitgegeven, later nog incidenteel.

2024-02-25
Zuidnederlands Woordenboek

Walter De Clerck (1981)

groot

1. Groot gaan, zwanger zijn, in verwachting zijn. De maand Oktober is al een eind ingegaan eer Mak Jeroen is gewaar geworden dat Annelies groot gaat, TEIRLINCK 1952, 1, 157. Ook o.a.: VERMEYEN 1947, 48. 2. Grote film, hoofdfilm (o.a. in: Gents Adv. 12/8/1976. Klokske 27/4/1978); groot boek, ter aand. van een rom...

2024-02-25
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans (1977)

groot

groot - 1°. In de verb.: groot wezen met iemand, geslachtsgemeenschap met iem. hebben. Volgens Aam. BOEKENOOGEN in de Zaanstreek.2°. In de verb. groot gaan (worden), zwanger zijn (worden). Nu is uw Liefstens vrees gedaan, Die korts (onlangs. H.), zo byster droef en bang was, Omdat ze door lang groot te gaan, Schier ruim zo dik was, als zy l...

2024-02-25
Surinaams woordenboek

J. van Donselaar (1936)

groot

bn.: zie gro(o)t(e) afro, bazuin, boshert, droge tijd, foengoepalm, hoofd, markoesa,meid. -: grote mensen, (ook:) 1. (meestal:) oude(re), wijze(re) mensen (ter onderscheiding van jonge(re) mensen, niet van kinderen). Ik ben wel getrouwd, maar ik ben jong toch . Dus ik moet naar die grote mensen luisteren. 2. (soms:) dierbare, vereerde voorouders....

2024-02-25
Zuid-afrikaans woordenboek

H.J. Terblanche - M.A., D. Litt

groot

groter, grootste, nie klein nie; volwasse; aanmerklik; uitgestrek; vernaam; hewig; hoog.

2024-02-25
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Groot

adj., great, foars, mânsk; erg —, bjuster, almachtich; tamelijk —, greatich, moai great, aerdich great; een grote kerel, in ein keardel; bijna evenzijn als iem., moai by immen oprikke; in zijn soortding, dier, âldfader, knaep, baes.

2024-02-25
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Groot

I. bn. (groter, -st), 1. van meer dan middelmatige afmetingen, bep. in drie dimensies, niet klein: een olifant is een groot dier; ik heb liever een grote appel dan een kleine; een grote hoorn; — (van personen) niet kort, lang van gestalte ; hij is groot en fors ; zij is een hoofd groter dan ik ; die jongen is zo...

2024-02-25
De Kleine Winkler Prins

Winkler Prins (1949)

Groot

oud-nederlandse munt ter waarde van ½ stuiver.

2024-02-25
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

groot

I. bn., bw.; groter, grootst (meer dan middelmatig, niet klein, niet kort; ruim, lang, uitgebreid, uitgestrekt, dikwijls in zeer van elkaar afwijkende opvattingen): een groot huis, een grote jongen; hij is groot voor zijn jaren, d.i. lang; hij is zo dom als hij groot is, aartsdom; een groot man en geen grote man; een groot kwartier, ruim een kwarti...

2024-02-25
Katholieke Encyclopaedie

Uitgeverij Joost van den Vondel (1933-1939)

Groot

Groot - 1° Albert Willem de, Ned. Klassiek philoloog; * 13 Jan. 1892 te Groningen; conservator aan de univ.-bibliotheek te Groningen, sinds 1921 prof. aan de Gem. Univ. te Amsterdam. Bekend door zijn studiën over den prozarhythmus in de Klass. literatuur.2° Hugo (Huig) de (Hugo Grotius), Ned. rechtsgeleerde; * 10 April 1583 te Delft, &...

2024-02-25
Wat is dat? Encyclopedie voor jongeren

P.J.F.H. van de Rivière, R. de Ruyter-van der Feer (1928, 1930 en 1938)

Groot

Hugo de Groot, die van 1583 tot 1645 leefde, heeft zijn wereldbekendheid niet te danken aan zijn handige ontsnapping uit het slot Loevestein in een boekenkist, een geschiedenis, die jullie natuurlijk allen kennen van de schoollessen. Zijn wereldnaam dankt hij aan de wetenschappelijke, vooral juridische (= rechtskundige) werken, die hij heeft geschr...

2024-02-25
Oosthoek encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Groot

Groot - benaming van een der alleroudste Nederlandsche zilveren munten ter waarde van ongeveer een halven stuiver, ontleend aan het Fransche muntstuk gros, aldus genaamd omdat het juist zooveel woog als een gros of drachme, zijnde 'ƒ96 van een ons en dus V12 van een pond* zilver. De grooten schijnen het eerst onder Floris V in Holland geslagen te z...

2024-02-25
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

groot

I. bn. (groter, -st), 1. van meer dan middelmatige afmetingen, in drie dimensies, niet klein: een olifant is een — dier; ik heb liever een grote appel dan een kleine; (van personen) niet kort, lang van gestalte: hij is — en fors; zij is een hoofd groter dan ik; die jongen is zo lui als hij — is, zeer lui; hij is — voor zijn...