Groot betekenis & definitie

Groot (Grotius), Hugo de, Nederlands jurist, theoloog, dichter en historicus, *10.4.1583 Delft, +28.8.1645 Rostock. De Groot studeerde in Leiden en promoveerde in 1599 in Orléans.

In 1609 verscheen van zijn hand Mare Liberum (een hoofdstuk uit De iure praedae commentarius), waarin hij de stelling verdedigde dat de volle zee aan niemand toebehoorde. In 1613 werd hij pensionaris van Rotterdam. De Groot werd beschouwd als een van de leiders van de → remonstranten en werd daarom in 1619 tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld (→ Twaalfjarig Bestand). In 1621 ontsnapte hij, verstopt in een boekenkist, uit slot Loevestein. Hij vluchtte naar Parijs, waar hij zijn hoofdwerk, De iure belli ac pacis (1625) schreef. Dit werk wordt beschouwd als een van de belangrijkste grondslagen van het volkenrecht. In 1631 trad De Groot als diplomaat in Zweedse dienst. Hij schreef bovendien geschiedkundige en theologische studies en Latijnse poëzie.