groot betekenis & definitie

groot - bijvoeglijk naamwoord

1. met flinke afmetingen
wij wonen in een groot huis met tien kamers
1. de grote mensen
[de volwassenen]
2. de grote vakantie
[de zomervakantie]
3. inkopen in het groot
[met grote hoeveelheden tegelijk]
4. met grote ogen kijken
[verbaasd kijken]
5. een grote mond opzetten
[brutaal praten]
6. een grote duim hebben
[een rijke fantasie]
7. voor het grootste gedeelte
[voor het merendeel]
8. de grote hoop
[de grote massa]
9. een grote keel opzetten
[hard gaan schreeuwen]
10. veel kleintjes maken één grote
[veel kleine uitgaven zijn samen toch een groot bedrag]
11. iets aan de grote klok hangen
[overal bekendmaken]
12. groot licht
[autolampen op maximale sterkte]
13. met groot materieel uitrukken
[met veel brandweerwagens en blusapparatuur]
14. een grote mond geven
[brutaal toespreken]
15. grote ogen opzetten
[heel erg verbaasd zijn]
16. de grote plas
[de oceaan]
17. boven de grote rivieren
[Noord- en Midden-Nederland]
18. grote stappen, gauw thuis
[slordig en snel]
19. in grote trekken
[in hoofdzaken]
20. op grote voet leven
[veel geld uitgeven]
21. in het groot
[in groot formaat of aantal]
2. belangrijk of voornaam
♢ Rembrandt was een groot kunstenaar
1. de groten der aarde
[de rijken en machtigen]
2. de grote dag
[de dag van de belangrijke gebeurtenis]
3. heden groot, morgen dood
[succes duurt maar even]
4. een grote geest
[zeer begaafd persoon]
5. wie 't kleine niet eert, is 't grote niet weerd
[wie niet tevreden is met iets kleins, verdient niets groters]
6. een grote rol spelen
[belangrijk zijn]
3. in meer dan normale omvang
♢ er wordt groot onderhoud aan de weg gepleegd
1. een grote boodschap doen
[poepen]
2. de grootste gemene deler
[dat wat een aantal zaken gemeenschappelijk hebben]
3. groot denken
[ruim]
4. het grote geld
[rijkdom, veel geld]
5. in groten getale
[massaal]
6. dat is een groot woord
[dat houdt meer in dan eigenlijk wordt bedoeld]
4. heel erg
♢ dat is een grote eer
5. lichamelijk en geestelijk volgroeid
♢ onze kinderen zijn al groot

Algemene uitdrukkingen:
1. je hebt groot gelijk
[je hebt absoluut gelijk]
2. het grote publiek
[een grote groep mensen]
3. ik ben groot met hem
[mag hem graag en ga goed met hem om]
4. grote goedheid
[uitroep van schrik]
5. groot zijn met iemand
[bevriend met hem zijn]
Bijvoeglijk naamwoord: groot
... is groter dan ...
het grootst
de/het grote ...
iets groots

Synoniemen
fors, maxi, opperst, volwassen

Tegenstellingen
klein, mini

Gepubliceerd op 14-11-2017