Wat is de betekenis van gein?

2020
2021-06-18
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

gein

(1827) (vaak in de verkleinvorm: geintje) (inf.) grap; plezier; lol. Vgl. gebbetje*. • Loop heen, vlegel! Schei uit met geintjes maken, en zeg waar hij is. (De Nieuwe Gids. Jaargang 3. 1888) • ’k Heb ’r gijn in, reusachtig! (Herman Heijermans: Ghetto. 1898) • Gein, (toon.), joodsche volkstaal, aardigheid, geestig...

Lees verder
2019
2021-06-18
Ewoud Sanders

Taalhistoricus en journalist.

gein

lol, leukheid; grap, aardigheid; plezier In 1827 voor het eerst opgetekend, in een brief, in de verkleinvorm geintje. Vervolgens in 1896 opgenomen in de Woordenschat van De Beer en Laurillard. Zij voorzien gein van het label ‘tooneeltaal’ en geven als toelichting: ‘Joodsche volkstaal, aardigheid, geestigheid, liefheid.’ In 1906...

Lees verder
2019
2021-06-18
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

gein

gein - Zelfstandignaamwoord 1. (Jiddisch-Hebreeuws) plezier, lol Zij hadden een heleboel gein met elkaar. Ze hadden er hun ‘gein’ in hem te treiteren. Woordherkomst Herkomst: Jiddisj Verwante begrippen geintje, ongein

Lees verder
2018
2021-06-18
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

gein

gein - zelfstandig naamwoord 1. wat je leuk vindt ♢ wij hebben altijd veel gein samen 1. gein trappen [plezier maken] 2. voor de gein [voor de...

Lees verder
2014
2021-06-18
Mokums woordenboek

Ditte Simons en Hans Heestermans

gein

(< Jidd. chein, charme < Hebr. chén, lieftalligheid, gunst), 1. charme, bevalligheid: Pl. Amst.; zonder gein of krijn, kraak noch smaak: LUITZEN 58; 2. grap, aardigheid: Met die gein zou jouw koek in zijn schrokmaag belanden. Als je stennis maakt, beukenootjes op de koop toe, SMIS2 9; 3. pret, plezier, lol: Zoo ware de vrouwe in vroege...

Lees verder
1973
2021-06-18
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

gein

[➝Jiddisch], m. (-en), (volkst.) 1. lol, leukheid; 2. grap, aardigheid; een van een vent, een aardige kerel; 3. plezier: hebben.

1955
2021-06-18
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Gein

(Barg.) pret, pleizier; geintjes: grappen, lolletjes

1949
2021-06-18
Boevenjargon

Geschreven door Professor Henry Roskam

gein

pret; plezier. Ik had mijn grootste gein in die ouwe. Ook: gunst; genegenheid, enz.; leuk.

Lees verder
1948
2021-06-18
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

gein

(Hebr.) pret, plezier.

1937
2021-06-18
Woordverklaring

Dr. L.M. Metz - 1937

Gein

Gijn, Grapje, Geintjes maken. Uit het Hebreeuwsch afkomstig.

1916
2021-06-18
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gein

Gein - 1) Een voormalige arm van de Vecht, nu een der wateren van Amstellands boezem. Het Z. deel heet de Angstel en staat door de Nieuwe Wetering bij Nieuwersluis door een schutsluis met de Vecht in verbinding. Zoo is het G. een deel van een waterweg voor de binnenvaart naar Amsterdam, door de Holendrecht, de Bullewijk en de Amstel, alle één pand...

Lees verder
1898
2021-06-18
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gein

GEIN, GEINBLOK, GEINLOOPER, zie GIJN enz.