Wat is de betekenis van echt?

2022
2022-11-30
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2022.

echt

(1907, vero.) (jeugd) leuk, puik, tof. In Scheveningen ook: gezellig. • 'Nou maar,' sprak hij, 'ik vind het wel 'echt', hoor. (Chr. van Abkoude: Bob-zonder-zorg. 1907) • Onder de Amsterdamsche straatjeugd zijn een aantal Bargoensche termen in omloop, veelal van Joodschen oorsprong, b.v. emmes (immes): wat goed is in zijn soort, fijn; he...

Lees verder
2019
2022-11-30
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

echt

echt - Zelfstandignaamwoord 1. de huwelijkse staat In de echt verbonden. echt - Bijvoeglijk naamwoord 1. waarachtig, juist, niet vervalst, authentiek Dit zijn echte parels. echt - Bijwoord 1. heus (om de stellig...

Lees verder
2018
2022-11-30
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

echt

echt - bijvoeglijk naamwoord 1. geen namaak ♢ deze armband is echt goud 1. in het echt [in de werkelijkheid] 2. precies als in de werkelijkheid ...

Lees verder
2003
2022-11-30
Monumenten in Limburg

Encyclopedie over monumenten in Limburg (2010)

Echt

Kleine stad, ontstaan op een Maasterras nabij de plaats waar de Molenbeek in de Oude Maas uitkomt. In 928 wordt voor het eerst een kerk vermeld. In 1253 was Echt een Gelders leen. Midden 14de eeuw kreeg Echt stadsrechten. De stad werd in 1397 door de Luikse troepen verwoest. De verdedigingswerken heeft men al begin 16de eeuw geslecht. In de eerst...

Lees verder
1998
2022-11-30
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Echt

1. - wel,in de jongerentaai een veel gebruikte stoplap om aan te geven dat men met iets zijn instemming betuigt. Echtin de zin van ‘fijn, leuk’ komt al voor in de Rotterdamse jeugdtaal van het begin van deze eeuw. Oudenaarden 1986 citeert bijv. Chr. van Abkoude, auteur van de Pietje Bell-reeks en ‘Bob-zonder-zorg’. Daarin komen ook verschillende sy...

Lees verder
1998
2022-11-30
drs. Toine van Hoof

AUTEUR VAN HET BRIDGE WOORDENBOEK - "BRIDGE OPZOEKBOEK" (UITGAVE 1998)

echt

1. Van een bod: natuurlijk. 2. Van een bijgespeelde kaart of signaal: oprecht. Zie ook: conventioneel; false-card; psych

Lees verder
1992
2022-11-30
Een woordenboek van de filosofie

Begrippen, stromingen, denkers

Echt

Het heeft voordelen om een geheel te laten gelden als een van zijn eigen delen, een klasse als een van haar eigen deelklassen, enzovoort. ‘Echt’ wordt gebruikt om desgewenst deze speciale gevallen uit te sluiten. Zo is een echte deelklasse van klasse K een deelklasse waar niet alle elementen van K in zitten.

1991
2022-11-30
Lesbotaal Lexicon (1991)

Lesbiaans : lexicon van de lesbotaal (1991). Geschreven door Kunst, Hanneke, en Xandra Schutte.

Echt

Echt - 1) in echte vrouw, hetero vrouw. Het benadrukken van het lesbisch zijn van vrouwelijke sportlieden komt vaker voor, vooral bij de krachtsporten. Teneur is steeds: lesbische vrouwen zijn halve mannen, en dus eigenlijk oneerlijke konkurrentie voor rankgebouwde heterovrouwen, ‘echte’ vrouwen. (Homologie, 1985 nr.i). 2) in echte lesb...

Lees verder
1981
2022-11-30
Zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

Echt

(17 000 inwoners), gemeente in Limburg, ten zuiden van Roermond. Bekend om de steenbakkerijen en dakpannenindustrie.

1980
2022-11-30
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Geschreven door Dr. E. Schröder, 1980

Echt

Wij moeten uitgaan van het woord ee, dat oorspronkelijk: wet betekende en daarna speciaal: huwelijkswet en: huwelijk. Het leeft nog voort in het deftige woord ega voor echtgenoot. Het bijvoeglijk naamwoord bij dit woord ee is eehaft en daaruit is echt ontstaan. Deze overgang lijkt vreemd, maar dat de tweede lettergreep van een woord meer en meer va...

Lees verder
1979
2022-11-30
drank

Wijn & drank encyclopedie

Echt

Russische of Poolse kummel met suikerkristallen. → KUMMEL

Lees verder
1952
2022-11-30
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Echt

adj. & adv., echt.

1951
2022-11-30
Duits woordenboek (DU-NL) 1951

Dr. H. W. J. Kroes

Echt

echt; echtes Bier, Beiers of Pilsener bier.

1950
2022-11-30
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Echt

bn. en bw. (-er, -st), I. bn., 1. wettig: zijn echte vrouw; — uit een wettig huwelijk gesproten: een echt kind; van echt bloed; 2. het huwelijk betreffend; de echte staat, het huwelijk; 3. werkelijk hetgeen of degeen zijnde waarvoor het (de persoon) doorgaat, zuiver, niet vals: de echte prins; echt gou...

Lees verder
1949
2022-11-30
De Kleine Winkler Prins

Encyclopedie van A tot Z - 1949

Echt

gemeente in Ned. Limburg, 11.000 inw. Omvat o.a. de dorpen Echt en Pey. Landbouw en veeteelt, dakpannenindustrie.

Lees verder
1947
2022-11-30
Winkler Prins Encyclopedie

Winkler Prins 1947

ECHT

is een gemeente in de Nederlandse provincie Limburg, van 7135 ha en met (1947) 11 834 inw., bijna allen R.K. De bodem bestaat in hoofdzaak uit de zanden van het hoog-, midden- en laagterras langs de Maas. Langs de Maas en in een oude Maasarm ligt een smalle strook rivierklei; in het Z.O. der gemeente (bij Koningsbosch) is het hoogterras met lö...

Lees verder
1937
2022-11-30
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

echt

I. m. (huwelijk, ietwat verheven): in de echt treden, verbinden; zich in de echt begeven. II. bn. (1 wettig inz. in verband met het huwelijk; 2 niet nagemaakt, onvervalst; niet geveinsd; niet slechts doorgaand of zich uitgevend voor; 3 bij uitnemendheid dat, wat het zn. uitdrukt; 4 zeer prettig, leuk): 1. zijn echte vrouw; in de echte staat verbi...

Lees verder
1933
2022-11-30
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Echt

gem in Limburg, 9400 imv.. steen- en pannenbakkerijen.

1930
2022-11-30
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

echt

I. bn. en bw. (-er, -st) 1. wettig door het huwelijk verbonden : -e man, vrouw. 2. het huwelijk betreffend : de -e staat. 3. uit een wettig huwelijk gesproten : een kind. 4. werkelijk datgene wat het volgende woord zegt : een gentleman; spel; -e urbaniteit; Nederlands; gebeurd. 5. niet vervalst: goud; de tekst is -; een kanten kraag; een -e Rem...

Lees verder
1911
2022-11-30
pluim

Keur van Nederlansche woordafleidingen

Echt

(niet valsch), bet. oorspr. wettig; het was in het Middelhoogd. e-haft, waarin ee ons wet (zie Eeuw), maar ook huwelijk bet. (als voor de wet gesloten), vgl.: „Een weynig na twee jaren in ons ee." Eeman = getrouwd man; Eestandt — huwelijksche staat. Dit e-haft, dat dus wethebbende, kracht van wet-hebbende, bet., werd eft, en dit we...

Lees verder