Benauwd
bn. bw. (-er, -st), 1. beperkt van ruimte, nauw, eng: een benauwde plaats, ruimte; — wij zitten erg benauwd, erg dicht op elkaar; — oneig.: geen ruimte van middelen hebbend. 2. belemmerd in de ademhaling: de zieke is benauwd; het hijgen der benauwde borst. 3. zo dat het de ademhaling belemmert: een benauwde reu...