Wat is de betekenis van benauwd?

2024-02-25
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

benauwd

benauwd - Bijvoeglijk naamwoord 1. moeilijk ademend, belemmerd in de ademhaling Iemand met COPD of astma heeft heeft vaak benauwd. 2. angstig, bang zijn lijfspreuk bleef door de jaren heen: "niet van dat benauwde" 3. beperkt van ruimte ...

2024-02-25
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

benauwd

benauwd - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: be-nauwd 1. met te weinig adem ♢ ik heb het de laatste tijd erg benauwd 2. met te weinig frisse lucht ♢ het is benauwd hier in huis, doe een raam open!...

2024-02-25
Brabants Handwoordenboek

Prof. dr. Jos Swanenberg (2015)

benauwd

(bn) gierig LC.

2024-02-25
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Benauwd

adj. & adv., binaud, binypt near, têd; (van het weer), lúmsk, lúnsk; — worden (van het weer), lume, lúmje, lúnje; hethebben, it krap hawwe, nei de siken gapje, happe.

Wil je toegang tot alle 10 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-02-25
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Benauwd

bn. bw. (-er, -st), 1. beperkt van ruimte, nauw, eng: een benauwde plaats, ruimte; — wij zitten erg benauwd, erg dicht op elkaar; — oneig.: geen ruimte van middelen hebbend. 2. belemmerd in de ademhaling: de zieke is benauwd; het hijgen der benauwde borst. 3. zo dat het de ademhaling belemmert: een benauwde reu...

2024-02-25
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

benauwd

bn., bw. (1 belemmerd in de ademhaling; ook v. datgene, waardoor en v. de plaats, waarin iem. belemmerd wordt; 2 benard, beangst, bekommerd, bang): 1. het in de kerk benauwd krijgen; een benauwde lucht, kamer; het is hier erg benauwd; 2. benauwd zijn over iets; een benauwd gezicht zetten; benauwd kijken; nog: een benauwd klein beetje, erg.

2024-02-25
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

benauwd

(bə'nouwt) bn. en bw. (-er, -st) 1. nauw, enz. : een -e ruimte. 2. belemmerd in de ademhaling : de ziekte is -; het krijgen. 3. niet wetende hoe te handelen, spoedig in het nauw gebracht: - en besluiteloos stond hij daar. Syn. → angstvallig. 4. bekommerd : zijn over iets; kijken. 5. slecht ten opzichte van geldmiddelen : het hebben....

2024-02-25
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Benauwd

bn. en bw. (-er, -st), 1. beperkt van ruimte, nauw, eng: een benauwde ruimte; wij zitten erg benauwd, erg dicht op elkaar; oneig.: geen ruimte van middelen hebbend; 2. belemmerd in de ademhaling: de zieke is 3. zo dat het de ademhaling belemmert: benauwd weer, drukkend; 4. benauwd om het hart zijn, beklemd, bezwaard; bij uitbreiding: angstig, ba...

2024-02-25
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Benauwd

BENAUWD, bn. bw. (-er, -st), eene benauwde plaats, ruimte, eng, nauw; — wij zitten erg benauwd, erg dicht bijeen, zoodat onze ademhaling belemmerd is; een benauwde reuk, lucht; — (Z. A.) benauwde borst, het asthma; — (Z. A.) benauwde ziekte, kroep; — benauwd weer, drukkend; — de zieke is benauwd, voelt zijne ademhaling...

2024-02-25
Handwoordenboek van Nederlandsche synoniemen

J.V. Hendriks (1898)

Benauwd

zie Bedeesd.