Agrarisch Encyclopedie

Veerman (1954)

Gepubliceerd op 21-01-2021

Chromosoommutatie

betekenis & definitie

Het (zeldzaam voorkomende) veranderen van een factor of gen wordt genmutatie genoemd, b.v. mutatie van het gen voor rode tot dat voor witte ogen bij Drosophila. Een genmutatie is een verandering van een bepaald ‘chromosoom op een bepaalde plek, maar cen verandering die microscopisch nooit waarneembaar is.

De microscopisch waarneembare veranderingen in structuur of aantal der chromosomen worden c. genoemd en kunnen van drieërlei aard zijn, nl.

(1) structurele mutaties;

(2) c. in engere zin en

(3) genoommutaties.

In de vierde plaats kunnen dan nog combinaties van 1, 2 en 3 optreden.

(1) Bij structurele mutaties treden er veranderingen in de bouw of structuur der aparte chromosomen op. Ze kunnen zich voordoen als fragmentatie (breken), deficiency of enlclion (wegvallen van een stuk), duplicatie (verdubbelen van een stuk), inversie (omkeren van een stuk), translocatie (verplaatsen van een stuk) of reciproke translocatie (wederkerig verwisselen van een stuk tussen twee verschillende chromosomen). Structurele mutaties zijn van grote theoretische, maar tot dusverre van geen of geringe praktische betekenis.

(2) Bij c. in engere zin is er één of zijn er enkele chromosomen te veel of te weinig. Wanneer er één chromosoom te veel is, komt een bepaald chromosoom 3 keer voor i.p.v. 2 keer; en plant heet dan trisoom en het totale aantal chromosomen is 2n + 1. Wanneer er één chromosoom te weinig is, komt een bepaald chromosoom slechts 1 keer voor i.p.v. 2 keer; de plant heet dan monosoom en het totale aantal chromosomen is 2n-l. Ook deze c. in engere zin zijn van geringe praktische betekenis.

(3) Bij genoommutaties verandert het aantal gehele stellen chromosomen of genomen. Het normale aantal genomen is 2; de plant of het dier heten dan diploid en ze hebben 2n chromosomen. Een haploid organisme heeft maar één stel (n) chromosomen en ontstaat wanneer een haploide eicel zich zonder bevruchting ontwikkelt. Haploide planten of dieren zijn vrijwel steeds klein, zwak en geheel steriel. Planten en dieren met meer dan twee genomen heten polyploid (triploid = 3n, tetraploid = 4n, enz.). Een tetraploide plant ontstaat, wanneer het normale diploide aantal chromosomen in een jonge kiemplant verdubbeld wordt. Dit geschiedt experimenteel door behandeling met een colchicine-oplossing, die maakt dat de spoelfiguur onwerkzaam wordt; de chromosomen delen zich dan wel overlangs, maar de helften gaan niet naar de polen uiteen en het zo verdubbelde tetraploide aantal wordt weer binnen één kernwand opgenomen.

Een triploide plant (of dier) ontstaat uit de versmelting van een haploide met een diploide geslachtscel (n + 2n = 3n). Die diploide geslachtscel kan van een tetraploide plant afkomstig zijn, maar het kan ook een toevallig of door colchicine-behandeling ongereduceerd gebleven geslachtscel van een diploide plant zijn. Op deze manier zijn de laatste jaren in Zweden met behulp van colchicine de eerste polyploide zoogdieren verkregen, nl. triploide varkens en konijnen.

Genoommutaties (polyploide vormen) lijken bij de veredeling van planten een belangrijke rol gespeeld te hebben en nog te kunnen spelen, maar bij de dieren lijken ze van minder grote betekenis te zijn (z. Mutatie en Polyploidie).

R. PRAKKEN.