Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

Gepubliceerd op 26-10-2021

gevallen vrouw

betekenis & definitie

(19e eeuw) (ook: gevallen meisje) (euf.) ongehuwde vrouw of maagd; vrouw die haar reputatie verspeeld had door seks te hebben met een andere dan de wettelijke partner, en vandaar ook een meer elegante term voor een prostituée. In 1847 richtte dominee Otto Gerard Heldring een ‘Asyle voor boetvaardige gevallene vrouwen Steenbeek’ op in de Betuwe. De uitdrukking komt reeds voor bij Nicolaas Beets (St. Uren. 1851). 'Gevallen' is hier metaforisch (vgl. Adam's zondeval). Tegenwoordig is de uitdrukking, die eveneens voorkomt in het Engels (fallen woman), verouderd.

• Zij beweert dat bij het grootste deel der ‘gevallen meisjes’ vooral zulke nieuwsgierigheid in het spel was. (Gerard Walschap: Celibaat. 1934)
• Zal je gedacht weze, de duels, die ik al heb uitgevochte voor de eer en de onschuld van gevalle meisies! (Willem van Iependaal: Polletje Piekhaar, 1935)
Ik ga niet naar het tehuis voor gevallen vrouwen. (Jan Arends: Ik had een strohoed en een wandelstok. 1974)
• Gegrepen door haar verhaal bracht hij haar onder in 'Beth-San', een tehuis voor 'gevallen vrouwen' in de Warmoesstraat. (HP/ De Tijd, 19/05/1995)
• Doordat de nieuwe pastoor haar geen zakgeld gaf, kon ze niet eens meer naar de kapsalon in Een, laat staan dat ze naar Maastricht kon reizen om een poging te doen Peter uit het klooster te bevrijden. En ook al was ze er naartoe gereisd, als huishoudster, tevens ‘gevallen vrouw’, zou het haar beslist niet zijn gelukt. (Mariët Meester: Hollands Siberië. 2014)
• Ze is nog geen zestien jaar. Ze is in verwachting. Ze weigert te zeggen wie de vader is omdat ze het waarschijnlijk zelf niet weet. En dus is ze in een tehuis voor gevallen vrouwen beland. (Erik Vlaminck: De zwarte brug. 2016)
• ‘Oude vrijsters’ en ‘gevallen vrouwen’ mochten dan wel paria’s zijn, ze waren allerminst zeldzaam. Dat zij elkaars gezelschap opzochten, hechte banden smeedden, samen dronken en vaak ook samenwoonden, kon nauwelijks verbazen. (Wannes Dupont e.a.: Verzwegen verlangen. Een geschiedenis van homoseksualiteit in België. 2017)
• Geslachtsverkeer mocht dan alleen in de echtelijke sponde op zijn plaats zijn, sommige protestanten maakten seksualiteit tot een publieke kwestie. Zo opende ds. Ottho Gerhard Heldring vanaf 1848 in het Betuwse Zetten ‘gestichten’ waar ‘gevallen vrouwen’ tot eerbare dienstbodes werden opgeleid. (David Bos en John Exalto: Genot en gebod. Huwelijk en seksualiteit in protestants Nederland vanaf 1800. 2019)