Een woordenboek van de filosofie

Begrippen, stromingen, denkers

Gepubliceerd op 19-04-2017

2017-04-19

Hobbes, Thomas

betekenis & definitie

1588-1679. Werd geboren in Malmesbury, woonde in Engeland en Frankrijk. Hij is vooral bekend gebleven door zijn politieke filosofie, waarin hij absolute soevereiniteit verdedigt als de enige manier om sociale zekerheid te waarborgen en te voorkomen dat het leven ‘eenzaam, arm, ellendig, dierlijk en kort’ zal zijn, zoals in de ‘natuurlijke staat’ het geval zou zijn.

Deze soevereiniteit baseerde hij op een sociaal contract tussen de mensen, maar de soeverijn had alleen plichten tegenover God. Volgens de gebruikelijke interpretatie baseerde hij de plicht tot politieke gehoorzaamheid op zelfbelang. (Vgl. ook rousseau.) Hij ontwikkelde ook een nominalistische opvatting over universalia en een natuurfilosofie waarin hij alles, met inbegrip van de mens, analyseerde in termen van materie en beweging. Ook zijn studie van de meetkunde liet duidelijke sporen in zijn denken na.

Zijn bezwaren tegen de Méditalions van Descartes werden door deze, samen met Descartes’ antwoorden, gepubliceerd (zie de op de Méditations volgende ‘Objections et réponses’, met name de ‘Troisièmes objections, avec les réponses de 1’auteur’). De cive, 1642 (over politiek). Leviathan, 1651 (Leviathan, Ned. vertaling, 1985) (politiek hoofdwerk, behandelt ook de mens). De corpore, 1655, in 1656 vertaald als Elements of Philosophy, The First Section, Concerning Body (metafysica en filosofie van de niet-levende natuur).
Zie ook collingwood, modaliteiten.