Zaag betekenis & definitie

Zaag (De), is een werktuig tot het snijden of verdeelen van hout, metaal en steen. Men vervaardigt de grootste zaagbladen van ruwstaal en de kleinste van gietstaal. Nadat men ze in vet gehard heeft, laat men de bladen aanloopen, namelijk de metaalzagen stroo- of goudgeel en de houtzagen violet of blaauw. Daarna worden zij door middel van vijlen of beitels van tanden voorzien.

Cirkelzagen worden van staalblik met eene schaar gesneden en na het aanloopen zorgvuldig geslepen. Metaalzagen hebben 5 tot 10 tanden op den Ned. duim. Het blad heeft een eenigzins sabelachtig gebogen vorm, waarbij de tanden op de bolle zijde staan. Het wordt voorts in een toestel bevestigd en hierin door middel van eene schroef gespannen. Versierselen met vertakte figuren worden uitgesneden met de kleine draaizaag, die 8—15 Ned. duim lang en 0,6—2 Ned. streep breed is.

Metaalzagen worden op verre na niet zooveel gebruikt als houtzagen, omdat zij in dik en hard metaal zeer langzaam werken. Zachte metalen kunnen met eene bevochtigde en licht roodgloeijend ijzer kan met eene snel bewogene houtzaag gesneden worden. Cirkelzagen worden op groote schaal gebezigd tot het zuiver afsnijden van roodgloeijende spoorstaven. Ook gloeijende platen van ijzerblik worden gelijktijdig door vier zagen aan even zoovele zijden afgesneden.

De gedaante der tanden eener houtzaag is die van een ongelijkzijdigen driehoek, wiens basis in den zaagrand valt, terwijl van de beide vrije zijden de kortste zich nagenoeg of geheel regthoekig op den rand verheft, zoodat de punten der tanden zich in dezelfde rigting uitstrekken. Zulke zagen snijden alleen in ééne bewegingsrigting. Wil men ze in beide rigtingen doen snijden, dan geeft men aan de tanden den vorm van gelijkzijdige of gelijkbeenige driehoeken, waarbij tusschen elk tweetal opvolgende tanden eene zekere ruimte overblijft (wolfstanden). De scherpe punten en de steile stand der kanten bevorderen hier het doorsnijden. Ook kan men aan de tanden den vorm van ongelijkzijdige driehoeken geven en hen paarsgewijs met de langere of kortere zijden naast elkander plaatsen, zoodat ieder paar de gedaante erlangt van de letter M. Om den weerstand te verminderen, door de wrijving van het zaagblad tegen de vlakken van het hout en door de verwijdering van het zaagmeel veroorzaakt, buigt men de tanden bij afwisseling een weinig naar de beide zijden (schranken). Dit geschiedt gewoonlijk met een daartoe bestemd ijzer. Het aanscherpen der tanden gebeurt door middel van eene vijl, doch bij groote zaagbladen ook wel op werktuigelijke wijze.

Men onderscheidt spanzagen, die met de uiteinden in een raam zijn vastgehecht en door middel van dit laatste gespannen kunnen worden, en zagen zonder spanning, die breeder of althans dikker moeten wezen dan de spanzagen. De kraanzaag, bestemd om het hout snijden in de lengte der vezels, is aan de snede en aan den rug regtlijnig, maar meestal aan het eene einde wat smaller dan aan het andere. De tanden zijn driekantig of wolfstanden en met de punten naar het smalle uiteinde gekeerd. Aan ieder einde bevindt zich een angel, soms in een raam geplaatst, maar meestal aan krukken verbonden, die loodregt op het zaagblad staan. De zaag snijdt alleen bij de benedenwaartsche beweging. De trekzaag dient tot het overdwars doorsnijden van hout en wordt waterpas heen en weer getrokken. Zij onderscheidt zich van de kraanzaag door een boogvormigen buik, zoodat het zaagblad in het midden breeder is dan aan de uiteinden. De schulp- of fourneerzaag, de grootste van alle, bezigt men tot het doorzagen van groote klossen of dikke platen in overlangsche rigting en alzoo tot het verkrijgen van planken, ribben enz.; zij heeft eene lengte van 1,3 tot 1,5 Ned. el en eene breedte van 10 Ned. duim, is zeer dun en bezit ongelijkzijdig driehoekige of wolfstanden ten getale van 80 tot 160 op de Ned. el.

Zij is geplaatst in een vierkant houten raam of toestel, wordt loodregt bewogen en snijdt bij hare benedenwaartsche beweging. De eigenlijke spanzaag, dienende tot het afzagen van te verwerken gedeelten, heeft een zeer dun blad ter lengte van 78 tot 85 Ned. duim en ter breedte van 48 tot 55 Ned. streep. Dit blad heeft op iederen Ned. duim van zijne lengte twee ongelijkzijdig-driehoekige tanden. Het span bestaat uit een balk ter lengte van het zaagblad, hieraan evenwijdig en aan zijne uiteinden dwarshouten bevattend, los met den balk verbonden, zoodat zij een schuinschen stand kunnen aannemen, terwijl zij aan de andere uiteinden los met het zaagblad en onderling door snoeren verbonden (het spantouw), die men door middel van een knevel of spanstok kan ineendraaijen, om het blad te spannen. De spanhandzaag is 19 tot 22 Ned. duim lang en 5 tot 6 Ned. streep breed en heeft 3 of 4 tanden op eiken Ned. duim lengte. De kleine draaizaag of figuurzaag is bestemd tot het uitsnijden van fijne, opengewerkte versieringen: zij is 7,5 tot 12,5 Ned. duim lang en 0,8 tot 1 Ned. streep breed en heeft 6 tot 16 tanden op de lengte van 1 Ned. duim. De decoupeerzaag heeft het zaagblad der figuurzaag, maar is in een raam gespannen en wordt met den voet of door eene kruk en met hulp van een vliegwiel in beweging gebragt.

Van de zagen zonder spanning noemen wij: de gewone handzaag met een handvatsel en een breed blad, hetwelk naar het onderste uiteinde allengs smaller wordt, terwijl het tot vermeerdering der stevigheid vaak voorzien is van een rug. Het zaagblad is 15 tot 75 Ned. duim lang; de tanden zijn ongelijkzijdig-driehoekig, en de zaag snijdt, wanneer men haar van zich afschuift. Nieuwere Amerikaansche soorten snijden bij het naar zich toe halen en kunnen derhalve veel dunner van blad zijn. Bij sommige van deze is de rug door eene naauwkeurige verdeeling tot maatstok ingerigt, terwijl aan het handvatsel een waterpas bevestigd is. De schrobzaag dient tot het uitsnijden van bogten en gaten.

Haar blad is 8 tot 58 Ned. duim lang en met een angel in een rond houten hecht of ook wel in een handvatsel bevestigd. Zij heeft op elken Ned. duim lengte 2 tot 5 tanden. Het blad is tamelijk dik, maar de dikte vermindert aanmerkelijk aan de rugzijde. De groefzaag heeft een blad ter lengte van 17 Ned. duim en 3 tanden op elken Ned. duim lengte, welke snijden bij het ophalen. Zij dient om insnijdingen op een breed vlak te maken en is van een handvatsel voorzien.

Cirkelzagen van verschillende middellijn, tot 1,5 Ned. el toe, worden uit één stuk vervaardigd, maar de grootere uit sectoren zamengevoegd door ze op eene plaat van gietijzer vast te schroeven. De tanden zijn naar ééne zijde gekeerd en aan de rugzijde hol. Wordt er been, ivoor of hoorn mede gesneden, dan dompelt men het onderste gedeelte der zaag in water. Eene handzaag vervaardigt men veelal in eens door het pletten van een stalen ring. Eindelijk vermelden wij nog de draadzaag, bestaande uit drie tot een touw in één gedraaide draden en bestemd tot het snijden van gips of van dergelijke delfstoffen.

Laatst bijgewerkt 20-08-2018