Zaagbek betekenis & definitie

Zaagbek (Mergus L.) is de naam van een vogelengeslacht uit de orde der Tandsnaveligen (Lamellirostres). Het omvat vogels met een rank ligchaam, een middelmatig langen, dunnen hals, een grooten kop, een langen, bijkans rolronden, scherpkantigen snavel met achterwaarts gebogene, hoornige platen en sterke haken, korte pooten met groote teenen, middelmatig lange, zeer spitse vleugels, waarin de eerste en tweede slagpen de langste zijn, en een korten, afgeronden staart. De groote zaagbek (M. merganser L.) is 78 tot 82 Ned. duim lang en 104 tot 110 Ned. duim breed, aan den kop en den bovenhals donker groen, boven op den rug zwart, aan de buikzijde geelachtig rood en aan den staart grijs. Zijn snavel is koraalrood, zijne oogen zijn roodachtig geel en zijne pooten lichtrood.

Men vindt dezen vogel in het noorden van Europa, Azië en Amerika tusschen 52 en 68°. Hij vertoont zich bij ons wel eens in November en Februarij, zonder echter in ons Vaderland te broeden. Hij verkeert bijna altijd in het water, is een uitstekend zwemmer en duiker, maar minder ervaren in het loopen en vliegen, voedt zich met visschen en is zeer vraatzuchtig. Zijn nest vindt men tusschen steenen en struiken, in weilanden en in holle boomen, waar het wijfje 8 tot 14 groenachtige, bruingrijze eijeren legt. Tot de kleinere soorten behoren: de middenste zaagbek (M. serrator) en het nonnetje (M. albeluns). De eerste van deze komt in kleur met den grooten zaagbek overeen, maar de laatste heeft een bek en pooten, die groen of blaauwachtig grijs zijn, terwijl het mannetje in zijn prachtgewaad wit is met zwarte vlekken om de oogen, langs de kuif en over de vleugels.

Laatst bijgewerkt 20-08-2018