Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 20-08-2018

Willem

betekenis & definitie

Onder dezen naam vermelden wij:

Den tegenwoordigen Keizer van Duitschland, te weten:

Willem of eigenlijk Wilhelm Friedrich Ludwig, tevens koning van Pruissen, tweeden zoon van Friedrich Wilhelm III en van koningin Louize, eene dochter van hertog Karel II van Mecklenburg-Strelitz. Hij werd geboren te Berlijn den 23sten Maart 1797. Op den 1sten Januarij 1807, in Pruissens rampspoedigsten tijd na den slag bij Jena, werd hij tot officier benoemd. Hij genoot onder de leiding van Delbrück en kapitein Reiche eene voortreffelijke opvoeding en onderscheidde zich reeds vroeg door een helder verstand, liefde tot orde en een ernstig karakter, zoodat hij op zijn vader geleek, terwijl hij in gaven des geestes moest onderdoen voor zijn ouderen broeder Frits (Friedrich Wilhelm IV).

In 1814 werd hij tot kapitein benoemd, volgde zijn vader op den veldtogt naar Frankrijk, verwierf bij Bar sur Aube (26 Februarij) het IJzeren Kruis, trok den 31sten Maart binnen Parijs, volgde zijn vader desgelijks naar Engeland en bragt, den 8sten Junij 1815 tot majoor opgeklommen, een bataljon van het eerste regiment der garde op nieuw naar Frankrijk, alwaar echter de oorlog reeds geëindigd was. Den 1sten Januarij 1816 aanvaardde hij het kommando over een bataljon van de landweergarde te Stettin, werd in 1818 generaal-majoor over eene brigade garde-infanterie, verkreeg den 1sten Mei 1820 het opperbevel over de eerste divisie der garde en werd in 1825 luitenant-generaal der garde. Bij herhaling werd hij wegens Staats- en familiezaken naar het Hof te Petersburg gezonden.

Den 11den Junij 1829 trad hij in het huwelijk met prinses Augusta van Saksen-Weimar, wier zuster Maria in den echt verbonden was met zijn jongeren broeder Karel. Zij schonk hem twee kinderen, Friedrich Wilhelm (geboren 18 October 1831) en Louize (geboren 3 December 1838 en thans groothertogin van Baden). Na den dood zijns vaders in 1840 erlangde hij als vermoedelijke troonopvolger van zijn broeder Friedrich Wilhelm IV den titel van „Prins van Pruissen” en zag zich eerlang bevorderd tot generaal der infanterie.

Bij het uitbarsten der revolutie van 1848 was de Prins wel is waar een voorstander van het verleenen eener constitutie, maar wilde vooraf de beweging gedempt zien door geweld van wapenen. Daar hij tevens wegens zijne ingenomenheid met den militairen stand als een verdediger van het absolutismus werd beschouwd, openbaarde zich de wrevel tegen hem zoo duidelijk, dat men het geraden vond, hem eenigen tijd naar elders te doen reizen.

De Prins begaf zich den 22sten Maart naar Londen, waar zijne staatkundige gevoelens door den omgang met prins Albert, Peel, Russel, Palmerston enz. eene betere rigting verkregen. Met ijver nam hij deel aan het streven naar de eenheid van Duitschland. In het begin van Junij keerde hij terug naar Berlijn. Hij zag zich gekozen tot afgevaardigde naar de Pruissische Nationale Vergadering, aanvaardde het mandaat, hield er eene korte redevoering over de constitutionéle beginselen, maar nam verder geen deel aan de beraadslagingen.

Den 8sten Junij 1849 werd hem het opperbevel toevertrouwd over de troepen, bestemd tot beteugeling der revolutionaire beweging in Zuid-Duitschland, en nadat hij te Mainz aan een aanslag was ontsnapt, bragt hij in weinige weken de Pfalz en Baden tot onderwerping. In October van dat jaar zag hij zich benoemd tot militairen gouverneur aan de Rijn en in Westfalen en vestigde zich te Coblenz, en in 1854 werd hij tevens kolonel-generaal der infanterie met den rang van veldmaarschalk en gouverneur der vesting Mainz. De vroegere ongunstige stemming jegens den Prins was wegens zijn afkeer van de uitspattingen der staatkundige en kerkelijke reactie en van de aanmatiging van het jonkerdom ten eenemale omgekeerd, zoodat hij, vooral sedert de verwikkelingen met Oostenrijk, als de hoofdvertegenwoordiger van de magt van Pruissen werd aangemerkt en de meerderheid der vaderlandlievende en vrijzinnige partij het oog op hem gevestigd hield, toen hij gedurende de ziekte des Konings den 23sten October als diens plaatsvervanger en den 7den October 1858 als regent de teugels van het bewind in handen nam.

Nadat hij den 26sten October den eed op de grondwet had afgelegd, benoemde hij den 5den November het liberale ministérie Hohenzollern (de „nieuwe aera”) en ontvouwde daaraan op den 8sten daaraanvolgende zijne regéringsbeginselen en bedoelingen. Wèl verklaarde hij, dat hij niet voornemens was met het verledene te breken, maar kwam toch op beslissenden toon in verzet tegen alle schijnheiligheid en huichelarij. Ook gaf hij te kennen, dat Pruissen zich niet lijdelijk kon overgeven aan den drang der buitenlandsche staatkunde, maar door wijze wetten, door ontwikkeling van zedelijke kracht en door het streven naar eenheid zijn gezag in Duitschland moest uitbreiden. Deze gevoelens vonden bij het volk en in het nieuw gekozen Huis van Afgevaardigden grooten bijval, daar de kerkelijke reactie en de Russische staatkunde van Friedrich Wilhelm IV algemeene ontevredenheid hadden gewekt.

Terwijl men zich daarin verblijdde, lette men ter naauwernood op die uitdrukkingen van den Prins, waarin hij sprak van de onvermijdelijke hervorming van het leger en van de daardoor vereischte geldmiddelen, bijaldien Pruissen aan zijne roeping zou beantwoorden. Dit toch was bij den Prins de hoofdzaak, en hij werd daarin versterkt door den loop der gebeurtenissen in 1859. Intusschen kon de meerderheid van het Huis van Afgevaardigden er niet toe besluiten, de aanzienlijke kosten der legerorganisatie, in 1860 ontworpen, in vertrouwen op de constitutionéle en vaderlandlievende gevoelens van den Prins goed te keuren. Door ongeduld gedreven, wilde men eerst de blijken zien van eene krachtige en vruchtbare Duitsche politiek. Op den 14den Julij 1861 beproefde zelfs de student Oscar Becker te Baden-Baden een aanslag op het leven van den Vorst, die na den dood van Friedrich Wilhelm (2 Januarij 1861) tot den troon geroepen was, doch bragt hem slechts eene geringe wonde toe.

De krooning (18 October 1861) vermeerderde het wantrouwen met betrekking tot de constitutionéle gevoelens van den Koning (zie onder Pruissen). De nieuwe verkiezingen van 6 December 1861 ademden een geest van vooruitgang, en bij de aftreding van het ministérie der „nieuwe aera (17 Maart 1862)”, hetwelk door den Koning ontslagen werd, omdat het de goedkeuring der legerorganisatie niet verkrijgen kon, ontstond een hevige strijd, waarbij de Koning zijn voornemen, de leger-organisatie, met hardnekkigheid bleef vasthouden en ter verdediging van het gehate ministérie-Bismarck al het gewigt van zijn koninklijk gezag in de schaal legde. De Koning verloor eerlang zijne vroegere populariteit, zooals inzonderheid bleek bij de halve eeuwfeesten van den bevrijdings-oorlog en van de vereeniging van verschillende gewesten met Pruissen (1863-1865).

Terwijl onder deze omstandigheden aan geene binnenlandsche hervormingen te denken viel en zelfs aan allerlei policie-reglementen een stuitend gezag werd toegekend, volgde de Koning op raad van Bismarck eene bepaalde politiek met betrekking tot het Duitsche vraagstuk. Daar de openbare meening de bedoelingen van Bismarck niet begreep, beschouwde men de houding van den Koning op het Vorstencongrès van 1863 en in de Sleeswijk-Holsteinsche zaak van 1864 als een spiegelgevecht, en men bleef afkeerig van zijne staatkunde. Om aan dien strijd een einde te maken zonder de uitmuntende leger-organisatie, met veel moeite verkregen, prijs te geven, vereenigde zich de Koning met de oogmerken van Bismarck, zoodat in 1866 de beslissende oorlog met Oostenrijk ontstond.

De Koning plaatste zelf zich aan het hoofd van het leger en behaalde de glansrijke overwinning bij Königgrätz. Bij de vredesonderhandelingen deed hij voorts afstand van zijn wensch, om zich meester te maken van de Hohenzollernsche vorstendommen in Franken, daar hij de plannen van Bismarck omtrent de Duitsche eenheid niet wilde verijdelen, en wist den Landdag tot gevoelens te stemmen, welke de eensgezindheid tusschen den monarch en het volk herstelden. De grondwet van den Noord-Duitschen Bond van 1 Julij 1867 kwam tot stand, en de Koning werd daarvan president, terwijl hij zich meer en meer bewoog in eene vrijzinnige rigting. De gehate ministers uit het tijdperk der botsing ontvingen hun ontslag en ruimden plaats voor vrienden eener vrijzinnige hervorming.

De ontwikkeling van dien Bond werd belemmerd door den oorlog tegen Frankrijk, waarin de Koning en zijn leger nieuwe lauweren behaalden. Wederom plaatste hij zich aan het hoofd der troepen, voerde zelf het bevel bij Gravelotte en bij Sédan en bestuurde van October 1870 tot Maart 1871 met onvermoeiden ijver uit Versailles de uitgebreide militaire operatiën, alsmede de diplomatieke onderhandelingen over de herstelling van het Duitsche rijk. Door de afkondiging, welke den 18den Januarij 1871 op het kasteel te Versailles plaats greep, aanvaardde hij voor zich en voor zijne opvolgers op den Pruissischen troon den titel van Duitsch Keizer en beloofde „steeds vermeerderaar van het Duitsche rijk te zullen wezen, niet door militaire veroveringen, maar in goederen en gaven des vredes op het gebied der nationale welvaart, vrijheid en zedelijkheid.” Den 16den Junij 1871 hield hij een schitterenden intogt te Berlijn. Rusteloos wijdde hij zich nu weder aan de belangen des lands, zoowel door de organisatie van het leger in het Duitsche rijk als door binnenlandsche hervormingen in den Pruissischen Staat. Getrouw aan pligt en wet hield hij in den zoogenaamden cultuurstrijd onwrikbaar stand tegen alle ultramontaansche vleijerijen en bedreigingen en antwoordde in zijn schrijven van 3 September 1873 op beslissenden toon op de aanmatiging van den Paus. Tevens bevestigde hij door zijne vriendschappelijke gezindheden den vrede met het buitenland. Tot dat einde sloot hij in September 1872 den Drie-Keizersbond met Rusland en Oostenrijk, waardoor bij deze beide Mogendheden tot verzoening stemde. Tot het bewaren van den vrede dienden voorts de bezoeken, welke hij in 1873 aflegde te Petersburg en te Weenen en in 1875 te Milaan.

Door zijne onvermoeide werkzaamheid voor het algemeen welzijn verwierf hij de toegenegenheid van zijn volk, welke zich vooral op den 1sten Januarij 1877 bij het vieren van zijn 70-jarigen diensttijd en op den 22sten Maart 1877 op zijn 80sten verjaardag krachtig openbaarde. Te grooter was dan ook de ontzetting, toen een werkman uit Leipzig, Max Hödel, door sociaal-democratische dweeperij verblind, op den 11den Mei 1878, toen de Keizer met de Groothertogin van Baden in een open rijtuig was gezeten, onderscheidene revolverschoten op hem loste, maar zonder hem te treffen. Naauwelijks echter was men van den schrik bekomen, toen de Keizer drie weken later naar de Diergaarde reed en Onder de Linden twee schoten op hem werden gerigt, zoodat hij door 30 hagelkorrels aan het hoofd en in de armen werd gewond. De boosdoener, Karl Nobiling, deed eene poging tot zelfmoord, maar werd terstond gevat. Hoewel de Keizer wegens de ziekte, door zijne wonden veroorzaakt, den 6den Junij den Kroonprins tot plaatsvervanger moest benoemen, bewaarde hij eene ongeschokte kalmte.

Reeds in het midden van Julij kon hij weder naar Babelsberg vertrekken, vanwaar hij zich den 29sten van die maand naar Teplitz begaf. De badkuur had eene gunstige werking en na het bezoeken van Gastein op den 23sten Augustus volgde eene volkomene genezing. Reeds in het midden van September begaf de Keizer zich naar Cassel, om er de groote manoeuvres van het leger bij te wonen. Voorts aanschouwde hij den 20sten September bij Wabern de groote parade van het 11de korps, woonde den 26sten van die maand de onthulling bij van het gedenkteeken, ter eere van zijn vader verrezen, en vertoefde in den herfst te Baden-Baden, vanwaar hij zich in November naar Coblenz en Wiesbaden begaf. Groot was de hulde, welke hem overal werd gebragt. In Julij had men reeds uit kleine giften een Wilhelms-fonds bijééngebragt ten bedrage van 1.800.000 mark van 12 millioen gevers. Hödel werd den 16den Augustus te Berlijn onthoofd, maar Nobiling stierf aan zijne wonden op den 3den September 1878.

De Koning van Pruissen en Keizer van Duitschland onderscheidt zich meer door vastheid van karakter dan door groote gaven van den geest. Hij heeft eene lange, indrukwekkende gestalte en een welgevormd, vriendelijk gelaat. Regelmatige werkzaamheid en eene matige levenswijs bezorgen hem eene slechts zelden gestoorde gezondheid. Inzonderheid roemt men zijne groote bescheidenheid, daar hij aan de verdiensten van Bismarck, Moltke en Roon volkomen regt laat wedervaren. Algemeen wordt erkend, dat hij bij eene overdrevene schatting van zijne vorstelijke waardigheid zich laat leiden door zijn gevoel van pligt jegens het welzijn van zijn volk.

Koningen van Engeland, namelijk:

Willem de Veroveraar, den stichter van het Engelsch Normandische vorstenhuis. Hij werd geboren in 1027, was de onwettige zoon van Robert II de Duivel, hertog van Normandië, en werd in 1033, toen zijn vader een pelgrimstogt aanvaardde naar het Heilige Land, als zijn opvolger in het hertogdom erkend. Toen na het overlijden van zijn vader (den 22sten julij 1035 te Nicaea) bloedverwanten en vazallen hem het hertogdom poogden te ontrukken, vond Willem een magtigen bondgenoot in zijn leenheer en voogd Hendrik I van Frankrijk. Op 19-jarigen ouderdom aanvaardde hij de heerschappij en trad in 1053 in het huwelijk met eene dochter van den Graaf van Vlaanderen, waarna hij in menigen strijd met naburige gebieders grooten roem behaalde.

Reeds in 1051 bragt hij aan zijn zwakken bloedverwant Eduard de Belijder, koning van Engeland, te Londen een bezoek, bij welke gelegenheid, deze hem de opvolging beloofde op den Engelschen troon. Toen nu na het overlijden van Eduard (5 Januarij 1066) graaf Harald van Wessex zich van het bewind meester maakte, stapte Willem den 29sten September 1066, naar men meldt met 60.000 man, bij Hastings aan land en leverde er zijn mededinger den 14den October een bloedigen slag, waarin Harald met de kern van den Angelsaksischen adel sneuvelde. Nadat Willem hierop Londen veroverd had, deed hij zich den 25sten December 1066 in Westminster kroonen, waarbij hij den gebruikelijken eed als koning aflegde. Hij begiftigde zijne Normandische baronnen met de landerijen der Kroon en der gesneuvelde Angelsaksen, handhaafde eene gestrenge tucht, deed burgten verrijzen te Londen en op het land, maar ging nog niet aanstonds over tot eene wijziging van den aard van het grondbezit. Hiertoe werd hij eerst gebragt door de pogingen der Angelsaksen om het vreemde juk af te schudden.

Op een in 1067 door Willem gedempt oproer in het noorden en westen van Engeland volgde in 1068 eene nog veel ergere beweging in Northumberland, waar de Engelsche graven Morcar en Edwin zich aanhangers verklaarden van Edgar Aetheling, een telg van het aloude vorstenhuis, die desgelijks steun vond bij de koningen Malcolm van Schotland en Soend Esthridson van Denemarken. Deze laatste, die desgelijks aanspraak maakte op den Engelschen troon, zond zijn broeder Osbjörn en zijne twee zonen derwaarts, en deze stapten aan den mond van de Humber aan land. Willem echter haalde door omkooperij Osbjörn over tot de belofte, dat deze in het volgende voorjaar vertrekken en zich met eene plundering der kusten vergenoegen zou, noodzaakte voorts Malcolm tot den terugtogt en veranderde geheel noordelijk Engeland in eene woestenij.

Daarop beijverde hij zich, de adellijke Angelsaksische geslachten stelselmatig uit te roeijen en het Normandische leenstelsel in te voeren. Ook bevorderde hij het gebruik van de Normandisch-Fransche taal in alle openbare aangelegenheden, doch hij slaagde er niet in, het Angelsaksisch als volkstaal uit den weg te ruimen. Alle latere pogingen tot opstand bij de Angelsaksen, die daarbij hulp ontvingen van de Schotten, welke zich met enkele ontevredene Normandische baronnen verbonden, bleven vruchteloos en werden door den Koning met bloedige gestrengheid onderdrukt, vooral ook toen zij Robert, den oudsten zoon van Willem, in plaats van zijn vader op den troon wilden brengen. Toen eindelijk een aanval van koning Knoet de Heilige van Denemarken in 1084 mislukte, was de heerschappij van Willem voor goed gevestigd.

In 1086 voltooide hij zijn beroemd „Domesday book”, eene opgave bevattend van het belastingschuldig grondbezit en een uitmuntenden grondslag vormend voor de statistiek van Engeland in de middeneeuwen. Gestreng waren vooral ’s Konings jagtwetten; zelfs het betreden der vorstelijke wouden was onder bedreiging van harde straffen verboden. Om zijn jagtlust te bevredigen, herschiep Willem in Winchester een vruchtbaar en bloeijend landschap in bosch. Reeds in 1070 had hij perken gesteld aan de grenzelooze hebzucht der geestelijkheid, en eene verordening van 1085 verbood de behandeling van geestelijke zaken voor den wereldlijken regter en omgekeerd.

Doordien het oproer van zijn zoon Robert begunstigd werd door Philippus I van Frankrijk, kwam hij met laatstgenoemde in oorlog. In Augustus 1087 trok bij te velde tegen Parijs en verwoestte onderweg alles te vuur en te zwaard. Hij werd echter te Mantes sur Seine door een val van zijn paard gewond en overleed te Rouen op den 9den September van laatstgenoemd jaar. Zijn lijk werd te Caen ter aarde besteld, en in 1851 verrees te Falaise een standbeeld te zijner eere. Volgens zijne beschikking werd hij in Normandië door zijn oudsten zoon Robert en in Engeland door zijn tweeden zoon Willem II opgevolgd.

Willem II de Roode, tweeden zoon van den voorgaande en van prinses Mathilde van Vlaanderen. Hij werd geboren in 1056 en den 27sten September 1087 als koning van Engeland gekroond. In de eerste jaren van zijn bewind zag bij zich in een hevigen strijd gewikkeld met de geestelijkheid over de inkomsten der vacante kerkelijke bedieningen en over de investituur. In 1090 beproefde hij eene poging om Normandië aan zijn broeder Robert te ontrukken, behaalde op dezen en op diens bondgenoot Philippus van Frankrijk eenige voordeelen en verwierf door den vrede van 1091 de graafschappen Eu, Fécamp, Cherbourg enz. In 1093 deed koning Malcolm van Schotland weder een inval in Engeland, maar geraakte in eene hinderlaag en sneuvelde met zijn zoon Eduard. Ook Donald, de broeder en opvolger van Malcolm, moest voor Willem het onderspit delven, alsmede de Koning van Wales, die een gedeelte van zijn gebied aan Engeland moest afstaan.

Een nieuwe oorlog tusschen Engeland en Normandië werd verhinderd door een inval der bewoners van Wales in 1094. In 1095 kwam Robert Mowbray, graaf van Northumberland, in opstand, maar viel in handen van koning Willem. Om de kosten van een kruistogt te bestrijden, verpandde Robert van Normandië in 1096 zijn hertogdom aan Willem. Toen deze nu desgelijks aanspraak maakte op een aangrenzend Fransch gewest, barstte een oorlog uit tegen Frankrijk, maar eindigde reeds in 1098 met een wapenstilstand.

Willem II werd den 2den Augustus 1100 door den edelman William Styrrel toevallig op de jagt gedood, en daar hij ongehuwd was, had hij zijn jongeren broeder Hendrik I tot opvolger.

Willem III, een zoon van Willem II van Oranje, stadhouder van de Republiek der Vereenigde Nederlanden, en van Henriette Maria Stuart, eene dochter van Karel I, koning van Engeland. Hij werd den 14den November 1650, acht dagen na het overlijden van zijn vader, te ’s Gravenhage geboren en na den dood zijner moeder (1661) opgevoed door zijne grootmoeder Amalia van Solms. In zijne jeugd zag hij zich door de Nederlandsche handels-aristocratie, aan wier hoofd zich de gebroeders de Witt (zie aldaar) bevonden, uitgesloten van de ambten en waardigheden, te voren door zijn geslacht bekleed, maar eene volksbeweging, in 1672 bij den aanvang van een oorlog tegen Lodewijk XIV uitgebarsten, bragt de teugels van het bewind weder in zijne handen, doordien de Generale Staten hem tot kapitein-generaal en admiraal der Vereenigde Provinciën benoemden.

Door zijn moed en beleid, alsmede door den steun, dien hij van andere mogenheden wist te verkrijgen, redde hij de Nederlanden van een dreigend verderf. Hij plaatste zich aan het hoofd van een leger, uit Duitsche, Spaansche en Nederlandsche soldaten zamengesteld en wist zich in den onbeslisten slag bij Seneffe (11 Augustus 1674) staande te houden. Zijne beperkte oorlogsmiddelen en de weifelachtige politiek der bondgenooten verhinderden hem echter, een grooteren veldslag te wagen. Hij moest den 11den April 1676 het onderspit delven voor den maarschalk de Luxembourg bij Montcassel, en Valenciennes, Kamerrijk (Cambrai) en St. Omer vielen in handen der Franschen. Terwijl de Generale Staten geneigd waren, te Nijmegen een afzonderlijken vrede te sluiten, tastte Willem, een tegenstander van deze onderhandelingen, de Franschen wederom aan bij Bergen (Mons, 14 Augustus 1678), maar moest den volgenden dag bij de tijding van den gesloten vrede de behaalde voordeelen laten varen.

In het voorgaande jaar was hij in het huwelijk getreden met Maria, eene dochter van koning Jacob II van Engeland. Toen deze laatste pogingen deed om Engeland terug te brengen in den schoot der R. Katholieke Kerk en de regten van het Parlement te besnoeijen, werd door schier alle partijen de gewapende tusschenkomst van Willem ingeroepen. Deze stapte den 5den November 1688 te Torbay aan land. Terwijl duizenden derwaarts snelden om hem te ondersteunen, nam Jacob de vlugt naar Frankrijk, en Willem, die den 18den December 1688 zijn intogt hield in Londen, belastte zich tien dagen daarna met het voorloopig regentschap.

Het kostte intusschen veel moeite, aan den toenmaligen staat van zaken een wettigen vorm te geven. Het Parlement kon alleen door den Koning worden bijééngeroepen; de beide Huizen vergaderden alzoo onder den naam van „Conventie” en namen het besluit (nadat Willem het voorstel van het Hooger Huis, om zijne gemalin tot Koningin uit te roepen, beantwoord had met de bedreiging, dat hij alsdan naar Holland zou terugkeeren), om aan hem en zijne gemalin de Britsche Kroon op te dragen (12 Februarij 1689), met de bepaling, dat hij alleen zou regéren en dat na beider kinderloos overlijden prinses Anna, de zuster van Maria, erfgenaam zou zijn van den troon. Doch vóórdat Willem den troon beklom, moest hij de „Declaration of rights” onderteekenen, de regten van het volk en van het Parlement bevattende.

Ook door de Schotsche Nationale Conventie werd hem den 11den Mei 1689, juist eene maand na zijne krooning in Westminster, de kroon toegezegd. De door haar opgestelde en door den Koning en de Koningin bezworene „Claim of rights” kwam, wat de staatkundige rigting betreft, met de Engelsche „Declaration overeen, maar verbood in Schotland de Episcopale kerk-ordening. In Engeland werd door eene afzonderlijke acte verdraagzaamheid gewaarborgd aan de Protestantsche dissenters, daar de Koning het toekennen van gelijke regten aan alle gezindheden niet verwerven kon.

Zonder moeite verkreeg Willem de toestemming van het Parlement tot het deelnemen aan den oorlog tegen Frankrijk en tot een verbond met de Generale Staten. Vóórdat hij echter den oorlog verklaren kon, landde Jacob, bijgestaan door de Franschen, in Ierland, en het geheele eiland schaarde zich aan zijne zijde. Het duurde jaren vóórdat Willem het onderworpen had aan zijn gezag. Den 10den Julij 1690 behaalde hij eene glansrijke overwinning aan de Boyne, en in 1690 was de rust in Ierland hersteld. Na dien tijd kon hij zijne krachten onverdeeld wijden aan den Européschen oorlog.

In Februarij 1691 vertrok hij met 45.000 man naar de Nederlanden, maar ondervond in dezen veldtogt weinig voorspoed, en in den volgenden evenmin. Terwijl de Engelsche vloot in Mei 1692 eene schitterende zegepraal verwierf, behielden de Franschen te lande de overhand. Inmiddels mislukten de vernieuwde pogingen van Jacob II om in Engeland vasten voet te verkrijgen, en een aanslag tegen het leven van Willem III, door de Jacobieten gesmeed, werd ontdekt. Niettemin maakten de treurige toestand der Engelsche geldmiddelen en de hevige strijd der partijen ook voor Willem den vrede wenschelijk; deze kwam in September 1697 te Rijswijk tot stand, en Lodewijk XIV erkende daarbij de koninklijke waardigheid van Willem III. In het binnenland had Willem, die sedert den dood van zijne gemalin (28 December 1694) alleen heerschappij voerde, met vele moeijelijkheden te worstelen. Zijne stilzwijgendheid, zijne onverschilligheid jegens de staatskerk en de geestelijkheid en zijne begunstiging der Whigs hadden reeds in de eerste jaren van zijn bestuur het vertrouwen van een groot gedeelte des volks geschokt, terwijl de twisten van de Whigs en Tories in bet Parlement en de aanvallen, die hijzelf daarbij te verduren had, hem met zooveel wrevel vervulden, dat hij meermalen het voornemen koesterde, de kroon neder te leggen.

Gedurende zijne laatste regéringsjaren bezorgde de buitenlandsche politiek hem velerlei moeijelijkheden; wederom moest hij in den Spaanschen Successieoorlog ten behoeve van het evenwigt van Europa de overmagt van Lodewijk XIV bestrijden. Toen deze laatste het testament van Karel II van Spanje had erkend, waardoor de Fransche pretendent als éénig erfgenaam der Spaansche monarchie werd aangewezen, bewoog Willem in 1701 het Parlement, om 10.000 man naar de Nederlanden te zenden, en nadat hij den 22sten Junij van dat jaar, na het overlijden van den éénigen zoon van prinses Anna, de Protestantsche erfopvolging in Engeland gewaarborgd had, sloot hij den 7den September daaraanvolgende te ’s Gravenhage een verbond met den Keizer en met de Nederlanden.

Terwijl hij zich bezig hield met toebereidselen tot een oorlog tegen Frankrijk, overleed hij den 19den Maart 1702 ten gevolge van een val met zijn paard en werd opgevolgd door zijne schoonzuster Anna. Groot-Brittanje is aan hem de grondslagen verschuldigd zijner kerkelijke en staatkundige vrijheden en in het algemeen die van zijn modern staatsbeleid en Europa de vernietiging der Fransche overmagt.

Willem IV Hendrik, derden zoon van George III. Hij werd geboren den 21sten Augustus 1765, trad in 1778 als kadet in dienst bij de Britsche marine, nam in 1780 deel aan een gevecht tegen den Spaanschen admiraal Juan de Langara, voorts aan de verovering van het Fransche schip „Proteus” en in 1781 aan de expeditie, die Gibraltar van het noodige voorzag, en bezocht in het daarop volgende jaar de West-Indische wateren. In 1785 werd hij luitenant ter zee en een jaar later kommandant van het fregat „Pegasus”. Bij zijn terugkeer in Engeland verkreeg hij den titel van hertog van Clarence en St. Andrews en graaf van Munster. Toen in het volgende jaar een oorlog tegen Spanje dreigde uit te barsten, ontving hij zijne benoeming tot kapitein-kommandant van een schip van 74 stukken en den 3den December tot schout-bij-nacht.

Hoewel hij allengs opklom in rang, was het hem niet langer veroorloofd, aan de krijgsbedrijven deel te nemen. Omstreeks het jaar 1790 knoopte hij eene betrekking aan met de Iersche tooneelspeelster Dora Jordans, die hem 10 kinderen schonk, doch in 1811 brak zij deze verbindtenis af, waarop zij tot het tooneel terugkeerde en zich in 1815 naar Frankrijk begaf, waar zij te St. Cloud in zeer behoeftige omstandigheden overleed. De Hertog trad daarop den 11den Junij 1818 in het huwelijk met Adelheid, prinses van Saksen-Meiningen en leefde meestal zeer stil op zijn landgoed Bushy Park bij Londen. Na den dood van zijn broeder, den hertog van York, verkreeg hij in 1827 de meeste aanspraak op den Britschen en Hannoverschen troon en tevens van het Parlement eene verhooging van zijn jaargeld tot een bedrag van 40.000 pond sterling. Tevens werd hij door den invloed van Canuing tot groot-admiraal des rijks benoemd.

In die betrekking gaf hij aan admiraal Codrington eene geheime instructie, welke, in strijd met het verlangen van het Ministérie, aanleiding gaf tot den slag van Navarino (20 Augustus 1827). Wegens zijne vrijzinnige gevoelens geraakte hij in botsing met het ministérie Wellington en nam in 1828 zijn ontslag als groot admiraal. In 1829 verklaarde hij zich in het Hooger Huis een voorstander van de emancipatie der R. Katholieken. Wegens het overlijden van zijn broeder George IV werd hij den 26sten Junij 1830 tot den troon geroepen, en na eene korte weifeling gaf hij het roer van Staat in handen der Whigs, die na een langdurigen strijd in Junij 1832 de Parlementshervorming doordreven. Deze maatregel, alsmede de hervorming van het stedelijk bestuur in Engeland, de hevige strijd om de Iersche tienden en de verwikkelingen in Canada maakten het bestuur van Willem IV onrustig, maar tevens hoogst merkwaardig.

De buitenlandsche staatkunde bepaalde zich gedurende zijn bewind tot de aangelegenheden van het Pyrenésche schiereiland en dat van den Balkan. Zijn wensch, om met meer kracht op te treden tegen de zucht van Rusland om veroveringen te maken moest hij wegens den tegenstand van het kabinet en van het Parlement laten varen. Hij overleed in den nacht van den 19den op den 20sten Junij 1837. Daar zijne éénige wettige dochter niet lang na hare geboorte gestorven was, werd hij in Engeland door zijne nicht Victoria en in Hannover door zijn broeder Ernst August opgevolgd. Voor de kinderen, hem door Dora Jordans geschonken, had hij na zijne troonsbeklimming goed gezorgd.

De oudste, George Fitzclarence, verkreeg in 1831 den titel van graaf van Munster, en diens oudste zoon William George Fitzclarence, geboren den 19den Mei 1824, is de tegenwoordige graaf van Munster. De tweede zoon van Willem, namelijk lord Frederick Fitzclarence, geboren in 1799, overleed als opperbevelhebber in Bombay den 30sten October 1854.

Graven van Holland en Zeeland namelijk:

Willem I, een zoon van Floris lIl. Hij vergezelde zijn vader op een togt naar het Heilige Land en droeg niet weinig bij tot de bemagtiging van St. Jean d’ Acre in Palaestina (1191), nadat zijn vader een jaar te voren te Antiochië was overleden. Na zijn terugkeer in Holland, waar zijn oudere broeder Dirk VII inmiddels het bewind had aanvaard, leefde hij aanvankelijk in vrede, maar misverstand gaf vervolgens aanleiding tot twist.

Nu vervoegde Willem zich bij de West-Friezen en vond de Drechterlanders tot bijstand bereid. Ook Dirk verzamelde een aanzienlijk leger, en daar de strijd tegen de Vlamingen hem naar Zeeland riep, droeg hij het bevel over de naar Noord-Holland bestemde troepen op aan zijne gemalin Aleid. Zij trok in Augustus 1195 naar Kennemerland en bragt er, geholpen door de trouweloosheid der omgekochte bewoners van Nieuwe Niedorp en Winkel, haren zwager eene geweldige nederlaag toe. Weldra echter kwam door tusschenkomst van invloedrijke bloedverwanten eene overeenkomst tusschen de beide broeders tot stand, waarbij bepaald werd, dat Willem eene aanzienlijke som uit de Geervlietsche tollen en daarenboven de Friesche gewesten Oostergo en Westergo in leen ontvangen zou.

Weldra werd Willem in Friesland als graaf gehuldigd, maar vond er een hardnekkigen tegenstander in Hendrik de Krane, graaf van Kuinre. Deze laatste leed evenwel de nederlaag en nam de wijk naar graaf Dirk, die hem vriendschappelijk bejegende. Toen graaf Willem vervolgens zijn broeder wilde bezoeken, werd hij op last van dezen door den graaf van Kuinre gevangen genomen. Willem ontkwam echter en begaf zich naar graaf Otto van Gelder, met wiens dochter Aleide hij in het huwelijk trad, waarna de beide broeders zich verzoenden, om vervolgens gezamenlijk strijd te voeren tegen den bisschop van Utrecht.

Na het overlijden van Dirk, die slechts ééne dochter, Ada, achterliet, begaf zich Willem op aansporing van Philips van Wassenaer, Jan van Rijswijk en andere edelen naar Zeeland, waar hij als graaf gehuldigd werd. Ada, inmiddels met den graaf van Loon gehuwd, werd in den burgt te Leiden door de Kennemers belegerd en eerst naar Tessel en vervolgens naar Engeland gebragt, waarna Willem ook in Holland als graaf werd uitgeroepen. Wèl had hij te strijden tegen den graaf van Loon, doch deze werd met zijn leger op de vlugt gejaagd, en keizer Philippus erkende in 1204 het regt van Willem. Deze vocht in den Vlaamschen strijd tegen Frankrijk, viel in den slag bij Bovines (27 Julij 1214) in handen van zijn vijand, doch kwam tegen een aanzienlijk losgeld weder op vrije voeten.

Schoon door paus Honorius III in den ban gedaan, besloot hij deel te nemen aan een kruistogt, droeg het stadhouderschap in Holland over aan Boudewijn van Benthem en aanvaardde in 1217 de reis met 12 welbemande schepen en 58 koggen. Hij vereenigde zich met de Engelsche kruisvaarders, belastte zich met het opperbevel over de geheele vloot, verdreef, te Lissabon aangekomen, de Saracenen uit Alcazar en stevende naar St. Jean d’Acre. Voorts zeilde hij naar Egypte en veroverde er Damiate, waarop hij naar zijne Staten terugkeerde en een tweede huwelijk sloot met de keizerin-weduwe Maria van Brabant. In de volgende jaren, welke rustig voorbijgingen, verleende hij voorregten aan onderscheidene steden en overleed den 4den Februarij 1222.

Willem II, een kleinzoon van den voorgaande en een zoon van Floris IV en van Machteld van Brabant. Hij werd vermoedelijk geboren te Leiden in 1228. Op zesjarigen leeftijd kwam hij bij het overlijden van zijne moeder onder de voogdij van zijn oom Otto III, bisschop van Utrecht, en aanvaardde, toen hij den ouderdom van veertien jaren bereikt had, zelf het bewind. Reeds in October 1247 werd hij te Woeringen, niet ver van Keulen, tot Roomsch Koning gekozen, in laatstgenoemde stad in den Dom tot ridder geslagen en den 1sten November van het volgend jaar te Aken gekroond.

Hij behaalde bij Oppenheim eene overwinning op Koenraad IV, den opvolger van Frederik II, en trad in 1252 in het huwelijk met Elizabeth, eene dochter van Otto I, hertog van Brunswijk. Wegens de geschillen in Vlaanderen begaf hij zich naar Holland en bragt aan de Vlaamsche gravin, Zwarte Margriet, eene nederlaag toe. Laatstgenoemde, met wraakzucht vervuld, zocht hulp bij Karel van Anjou en stond dezen Henegouwen af onder voorwaarde, dat hij haar in den strijd tegen den Roomschen Koning zoude bijstaan. Anjou deed nu een inval in Nederland en wist het nagenoeg geheel aan zijne heerschappij te onderwerpen. Wèl zocht Willem hem door goede woorden te bewegen, Jan van Avesnes in het graafschap ongemoeid te laten, maar ontving hierop het uitdagend antwoord, dat de waterkoning maar uit zijne moerassen moest komen en tijd en plaats bepalen om hem onder de oogen te zien. Willem was daartoe bereid en bepaalde den tijd, alsmede de plaats op de heide te Assche bij Maastricht, maar Anjou bleef weg.

Hoogst rampspoedig was de veldtogt van Willem tegen de West-Friezen. Zwaar geharnast zakte hij met zijn paard bii Hoogwoud door het ijs en werd door zijne vijanden gedood. Zijn zoon Floris V ontdekte eerst in 1282 het lijk van den gesneuvelden vader, dat in eene prachtige kist werd gelegd en te Middelburg bijgezet. Graaf Willem onderscheidde zich door voortreffelijke gaven, bevorderde met kracht de opkomst der steden en deed hier en daar voortreffelijke gebouwen verrijzen.

Willem III de Goede, een zoon van graaf Jan II en van Philippa, eene dochter van Hendrik, graaf van Luxemburg. Hij gaf reeds vroeg blijken van bekwaamheid en dapperheid, bewerkstelligde in 1302 eene landing op de Vlaamsche kust en behaalde er eenige voordeelen, maar werd door de Vlamingen in Middelburg belegerd, zoodat bij deze stad, met beding van het leven en de vrijheid voor zich en de zijnen, aan den vijand moest overleveren.

In 1304 verklaarde Guy van Vlaanderen den oorlog aan graaf Jan, en toen Willem tegen hem te velde trok, leed hij de nederlaag op Duiveland en ontkwam ter naauwernood naar Zierikzee, waarna bijna geheel Holland in handen der Vlamingen viel. Eerlang echter kwamen de ingezetenen tegen hen in verzet, en jonker Willem maakte zich meester van Schoonhoven. Daarop trok hij naar Zeeland, ontzette het belegerde Zierikzee en behaalde eene glansrijke overwinning op de Vlamingen, waarna hij in onderscheidene steden van Holland gehuldigd werd. Voorts begaf hij zich naar Henegouwen, hetwelk hem desgelijks was ten deel gevallen, en toen naar Frankrijk, waar hij in het huwelijk trad met Johanna van Valois, eene zuster van Philippus (later Philippus IV).

In datzelfde jaar (1305) beschreef hij te ’s Gravenhage eene vergadering van edelen en afgevaardigden van de steden, om een geschil te beslechten over de belastingen. Voorts deed hij prachtige steekspelen houden, o.a. te Haarlem, waar 10 graven, 100 baronnen en 1000 ridders verschenen. De rust van zijne regering werd gestoord door een inval van graaf Robert van Vlaanderen in Henegouwen, en daar de Hollanders en Zeeuwen weigerden, Willem bij te staan, moest deze een nadeeligen vrede sluiten, namelijk aan de Vlamingen de opperheerschappij over Zeeland ten westen van de Schelde afstaan en zich verbinden tot de opbrengst van eene jaarlijksche schatting.

Die verpligtingen waren echter niet van langen duur. Bij den eerlang uitbarstenden oorlog van de Vlamingen tegen de Franschen snelde graaf Willem den Franschen koning Lodewijk X te hulp, voer op tal van galeijen met de bloem van den Hollandschen adel naar Rupelmonde en verbrandde deze stad. In Mei 1326 kwam vervolgens de vrede tot stand, waarbij de Graaf van Holland ontslagen werd van de leenhulde aan den Graaf van Vlaanderen, terwijl Willem afstand deed van alle aanspraak op Aalst, Geertsbergen, Waas en de Vier Ambachten.

Graaf Willem omringde zich met een schitterenden hofstoet, gaf groote feesten en kostte alzoo veel geld aan de ingezetenen. Die der steden waren echter steeds tot geven bereid, indien slechts hunne mildheid met voorregten werd beloond. Eene van zijne dochters trad in het huwelijk met Willem van Gulik, eene andere met keizer Lodewijk van Beijeren en eene derde met een Engelschen prins, die later onder den naam van Eduard III de kroon ontving. Graaf Willem zocht den twist bij te leggen, welke in die dagen tusschen den Paus en zijn Keizerlijken schoonzoon was ontstaan, doch te vergeefs, daar de Paus hem en geheel Duitschland in den ban deed. Ook bevestigde hij zijn gezag in Friesland, zoodat de abt van St. Odulf (te Staveren) en verscheiden Friesche afgevaardigden zich naar Haarlem begaven om hem te huldigen, waarna hij allerwege ambtenaren in Friesland aanstelde. Gedurende zijne laatste levensjaren vertoefde hij te Valenciennes en overleed aldaar den 6den of 7den junij 1337. Zijne gemalin Johanna werd non in het Cistercienser klooster te Fontanelle en stierf in 1342.

Willem IV, een zoon van den voorgaande. Hij was bij den dood zijns vaders eerst 19 jaren oud, maar had reeds vóór dien tijd het bewind gevoerd over Zeeland. Ook was hij toen al lang gehuwd met Johanna, eene dochter van Jan III, hertog van Brabant. Voorts sloot hij een verbond met Eduard III, maar geraakte kort daarna met dezen in onmin, zoodat Eduard Henegouwen plunderde, waarna de graaf zich aan de zijde schaarde van Frankrijk, doch haar eerlang verliet, waarna hij de wapens keerde tegen de Franschen, maar hierdoor aan zijne landen groote schade berokkende.

Vervolgens, na het herstel van den vrede, volbragt hij eene bedevaart naar het Heilige Graf en zorgde dat Jan van Arkel benoemd werd tot bisschop van Utrecht. Doch ook met dezen geraakte hij in twist en sloeg het beleg voor Utrecht, welke stad hij geducht in het naauw bragt. Hij liet zich dan ook niet tot verzoening bewegen dan onder voorwaarde, dat 400 ingezetenen in linnen kleederen, ongegord, bloothoofds en barrevoets hem vergiffenis kwamen smeeken. Daarna trok hij naar Friesland, stapte bij Stavoren aan land, maar leed eene geduchte nederlaag, waarbij hij zelf sneuvelde. Zijn lijk werd eerst begraven In het Olde Klooster bij Bolsward en later te ’s Gravenhage bijgezet.

Willem V, een zusterszoon van den voorgaande. Zijne moeder Margaretha werd door den Keizer, haar gemaal, na den dood van Willem IV met Henegouwen, Holland en Zeeland beleend, waarop haar zoon Willem V zich naar Holland begaf en er onder den titel van Verbeider (toekomstig gebieder) het bewind aanvaardde. Hij voerde oorlog tegen Jan van Arkel, bisschop van Utrecht, leed tusschen IJsselstein en Jutphaas eene bloedige nederlaag en sloot een wapenstilstand van twee maanden.

Inmiddels had Margaretha den grafelijken titel en het gezag over Holland, Zeeland en Friesland aan hem afgestaan, onder voorwaarde, dat hij haar jaarlijks 6000 gouden schilden (kleine Florentijnsche gouden gulden) zou afstaan. Die overeenkomst echter was niet bezegeld, zoodat de edelen en steden weigerden daaraan te voldoen, zoolang Margaretha daarin niet mondeling in hunne tegenwoordigheid had toegestemd. Slechts Dordrecht erkende Willem als graaf en werd hierin gevolgd door Rotterdam, Schiedam en Delft. Willem aanvaardde de grafelijke waardigheid, maar werd door velerlei omstandigheden verhinderd, aan zijne geldelijke verpligting te voldoen.

Toen nu Margaretha, door ontevredene edelen aangespoord om zelve weder als gravin op te treden, haren zoon naar Quesnoy ontbood, verklaarde Willem, dat hij alle overeenkomsten, met haar aangegaan, als nietig beschouwde en sloot met Egmond, Arkel, Heemskerk enz. een verbond tegen die edelen, welke zich aan de zijde zijner moeder schaarden. Margaretha herriep nu haren afstand, en de oorlog ontbrandde, die ons land onder den naam van Hoeksche en Kabeljaauwsche twisten omstreeks 150 jaar heeft geteisterd. De aanhangers van Margaretha of de Hoekschen droegen roode en die van Willem of de Kabeljaauwschen graauwe mutsen.

Willem stond wel is waar te Geertruidenberg het hoog bewind over Holland en Zeeland aan zijne moeder af, maar zijne verzoening vond geen bijval in Holland, waar de verbittering dagelijks toenam, en toen Margaretha zich weder naar Beijeren had begeven, maakte Willem zich eigendunkelijk meester van het gezag onder den titel van graaf van Holland, Zeeland en Friesland en verbeider van Henegouwen. Zijne moeder bevredigde hem echter door den afstand van Zeeland en de toezegging van het gezag over de Nederlandsche gewesten na haren dood, waarop Willem het bewind nederlegde en zich naar Beijeren begaf. Op aandrang van zijne aanhangers keerde hij evenwel naar Holland terug, liet zich huldigen en stond er eerlang aan het hoofd van eene magtige partij.

Vruchteloos trachtte Eduard lIl hem met zijne moeder te verzoenen. Willem waagde met zijne Hollandsche vloot op die van Eduard en Margaretha een aanval, maar moest na een hevig gevecht afdeinzen. Kort daarna werd die strijd hervat op de Maas nabij den Briel en Zwartewaal. De slag duurde van den morgen tot den avond en het water der rivier werd rood van bloed. Hier leed Margaretha de nederlaag. Nogmaals wilde Eduard eene verzoening bewerken tusschen moeder en zoon, doch deze laatste verwierp die pogingen en vervolgde de aanhangers en vrienden van Margaretha.

Deze nam de wijk naar Engeland, en eindelijk gelukte het aan Jan van Beaumont en Walraven van Luxemburg eene verzoening tot stand te brengen, welke Margaretha niet lang overleefde, daar zij den 23sten Junij 1356 te Valenciennes stierf. In het daarop volgende jaar begaf Willem zich naar Engeland en na zijn terugkeer openbaarden zich bij dezen Vorst sporen van krankzinnigheid. Met eigen hand en zonder éénige reden doorstak hij den edelman Gerrit van Wateringe. Hij werd dan ook in 1358 te Quesnoy opgesloten en eindigde eerst 30 jaren later zijn leven. Hij was gehuwd met Machteld van Lancaster, eene zuster van Eduard III, koning van Engeland.

Willem VI, oudsten zoon van hertog Albrecht van Beijeren en van diens eerste gemalin Margaretha, eene dochter van Lodewijk, hertog van Bryga in Silézië. Hij werd geboren in 1345, droeg in zijne jeugd den naam van graaf van Oostervant, kwam reeds vroeg in dienst van den hertog van Bourgondië en hielp in 1385 Damme in Vlaanderen veroveren. Zijn vader belastte hem met het bewind over Henegouwen, maar toen Willem in 1393 deel had genomen aan den moord van Aleid van Poelgeest en zich naar het slot Altena begaf, besloot Albrecht, hem dáár te belegeren. Willem nam echter de wijk naar ’s Hertogenbosch en vervolgens naar het Fransche Hof, waar een rijk Amsterdamsch koopman, Willem Eggert, hem van de noodige geldmiddelen voorzag.

Weldra verzoende hij zich met zijn vader, werd tot ridder geslagen, ontving de Orde van den Kouseband en deed in 1390 en 1398 een togt naar Friesland. Terwijl de eerste expeditie ten nadeele van de Hollanders uitviel, wist hij er na de tweede het gezag van zijn vader te doen eerbiedigen. Daar de Friezen zich echter eerlang daaraan zochten te onttrekken, ontbrandde er in 1401 een geweldige oorlog, die weldra door den vrede werd achtervolgd. Voorts streed hij voorspoedig tegen den heer van Arkel en werd na den dood zijns vaders (1404) als graaf gehuldigd.

De Hoeksche en Kabeljaauwsche twisten bleven onder zijn bewind voortduren; ook streed hij tegen Reinoud van Gelder en nam deel aan onderscheidene andere oorlogen. In 1405 werd keizer Sigismund te Dordrecht feestelijk door hem onthaald. Hij vergezelde met een stoet van edelen dezen naar Parijs, en overleed te Bouchain den 31sten Mei 1417. Hij is tweemaal gehuwd geweest, eerst met Maria, eene dochter van Karel V van Frankrijk, en toen met Margaretha van Bourgondië.

Stadhouders van de Republiek der Vereenigde Nederlanden, namelijk:

Willem I, prins van Oranje, den grondlegger van Nederlands onafhankelijkheid. Hij werd geboren den 16den April 1533 te Dillenburg in het land van Nassau, was in zijne jeugd page bij Karel V, werd door diens zuster Maria in de R. Katholieke godsdienst opgevoed en verwierf in zoo hooge mate de gunst van den Keizer, dat deze hem reeds vroeg met gewigtige zendingen belastte en eerlang tot stadhouder benoemde van Holland, Zeeland en Utrecht.

Na den dood van Karel V verzette hij zich met kracht tegen de maatregelen, door diens opvolger Philips II genomen ter onderdrukking van de burgerlijke en godsdienstige vrijheid. Omdat Philips de vroeger gewaarborgde privilegiën schond, plaatste Willem van Oranje zich aan het hoofd van den opstand en wist zich met opgeraapte benden en bekrompene geldmiddelen staande te houden tegen den bekwaamsten veldheer van zijn tijd, den hertog van Alva. Hij werd een aanhanger der Hervorming, maar onderscheidde zich tevens door eene edele verdraagzaamheid.

Nadat te Antwerpen de aanslag van Jean Jaureguy, die den Prins eene wond toebragt, mislukt was (Februarij 1582), werd hij op den 10den Julij 1584 te Delft getroffen door het doodelijk lood van Balthasar Gerards. Zijne laatste woorden waren eene bede voor zijn volk. De uitstekende grondlegger van onze vrijheid, door velen den Vader des Vaderlands genoemd, onderscheidde zich door beradenheid, schranderheid en volharding. Men noemde hem Willem de Zwijger, omdat hij karig was met woorden, maar kloek in daden. De Generale Staten hebben in 1609 in de Nieuwe Kerk te Delft een prachtig praalgraf te zijner eere doen verrijzen. Ook prijkt zijn metalen beeld op het plein te ’s Gravenhage en zijn ruiterstandbeeld in het Noordeinde aldaar.

Hij is gehuwd geweest met Anna van Egmond, gravin van Buren, — met Anna van Saksen, de moeder van prins Maurits, — met Charlotte van Bourbon, die hem 6 dochters schonk, — en met Louise de Coligny, de moeder van prins Frederik Hendrik.

Willem II, een zoon van Frederik Hendrik en alzoo een kleinzoon van den Zwijger. Hij werd geboren te ’s Gravenhage den 27sten Mei 1726. Toen hij na het overlijden van zijn vader het bewind had aanvaard, werd eerlang de Vrede van Munster geteekend. Deswege bragt men eene vermindering in het leger, welke den Prins-stadhouder geenszins aangenaam was. Hierdoor ontstonden botsingen, en vooral Amsterdam ijverde met kracht tegen de bedoelingen van den Stadhouder. Zelfs weigerde deze magtige stad, den Prins als afgevaardigde der Algemeene Staten te woord te staan, zoodat hij eene krijgsmagt afzond om haar in te nemen. Na een beleg van weinige dagen echter kwam eene soort van vergelijk tot stand, en de jeugdige Stadhouder overleed in datzelfde jaar (6 November 1650).

Hij was gehuwd met Maria van Groot Brittanje.

Willem III, zie boven onder de Koningen van Engeland.

Willem IV Karel Hendrik Friso, een zoon van Johan Willem Friso, prins van Oranje, stadhouder van Friesland en Groningen. Nadat zijn vader op eene noodlottige wijze bij den Moerdijk verdronken was, aanschouwde hij op den 1sten September 1711 te Leeuwarden het levenslicht. Het dreigen van een oorlog van de zijde van Frankrijk maakte ten tweeden male een einde aan het Stadhouderlooze tijdperk, en de Prins werd in 1747 tot stadhouder en kapitein-generaal benoemd. Hij overleed echter reeds den 22sten October 1751 te ’s Gravenhage.

Willem V, een zoon van den voorgaande en van prinses Anna van Engeland. Hij werd geboren den 8sten Maart 1748 en aanvaardde op 18-jarigen leeftijd het bewind. Hij was een welwillend Vorst, maar niet bestand tegen de binnenlandsche woelingen, die hem tijdelijk van zijne waardigheden beroofden, waarin hij in 1788 werd hersteld. Toen echter de omwentelingsstorm, in Frankrijk uitgebarsten, zich ook in ons Vaderland deed gevoelen en door de komst der Franschen de anti-stadhouderlijke partij de overhand behield, vertrok hij in 1795 met zijn gezin op eene visscherspink van Schevingen naar Engeland en begaf zich later naar zijne bezittingen in Duitschland, waar bij den 6den April 1806 te Brunswijk overleed.

Hij was gehuwd met Frederika Sophia Wilhelmina van Pruissen.

Graven van Nassau, namelijk:

Willem Lodewijk, graaf van Nassau, een zoon van Jan, graaf van Nassau-Dillenburg, broeder van den Zwijger en geboren den 13den Maart 1560. Reeds in 1580 nam hij deel aan de krijgsverrigtingen in de Nederlanden, voerde bevel over Fransche troepen in het beleg van Groningen en Koevorden en werd er door een kanonskogel getroffen aan het linker been. Voorts bezorgde hij levensmiddelen aan het door Spanjaarden belegerde Lochem en ontzette deze stad. Weldra werd hij benoemd tot stadhouder van Friesland en maakte er zich meester van de Slijkenburg en Oldemarkt. Hij deed voorts den Spanjaarden veel afbreuk, veroverde in Groningen de schans te Zoutkamp en nam deel in 1591 aan de bemagtiging van Nijmegen en in 1594 met Maurits aan die van de stad Groningen. Hij werd nu ook stadhouder van Groningen en de Ommelanden, en ontwapende in laatstgemelde stad in 1600 de burgerij.

In de kerkelijke twisten van die dagen schaarde hij zich aan de zijde van prins Maurits, zonder evenwel de onverdraagzaamheid zoo ver te drijven als deze. Hij was gehuwd met Anna van Nassau, eene dochter van Willem I, doch zij ontviel hem reeds den 23sten Junij 1588 zonder kinderen achter te laten. Hij zelf overleed den 31sten Mei 1620.

Willem, graaf van Nassau, een zoon van Jan van Nassau en Magdalena, gravin van Waldeck. Hij werd geboren in 1591, bewees als veldmaarschalk den Vereenigde Nederlanden belangrijke diensten, veroverde onderscheidene sterkten in Vlaanderen, onderscheidde zich in 1633 bij de belegering van Maastricht en bemagtigde Orson en sommige steden in het land van Cleef en Berg. Bij den aanslag van Frederik Hendrik op Antwerpen bezette hij den dijk van Callo, maar toen het valsch gerucht werd verspreid, dat de Spanjaarden met eene groote overmagt naderden, nam hij in verwarring de vlugt, waarbij hij wel 2000 man verloor, zoodat de onderneming van Frederik Hendrik tot groot misnoegen van dezen schipbreuk leed. Willem ontving in 1641 bij de belegering van Gennep eene hevige kneuzing, en de gevolgen daarvan deden hem in 1642 bezwijken.

Willem Frederik, graaf van Nassau, zoon van Ernst Casimir, stadhouder van Friesland, en van Sophia Hedwig, eene dochter van den hertog van Brunswijk. Hij werd geboren te Arnhem den 7den Augustus 1618, nam deel aan den oorlog in Vlaanderen en werd den 13den Julij 1641 stadhouder van Friesland en tien jaar later van Groningen en Drenthe, tot grooten spijt van Frederik Hendrik, die alle gewesten onder zijn stadhouderschap wilde vereenigd zien. Dit gaf aanleiding tot verdeeldheid tusschen die beide Vorsten, maar na het bijleggen daarvan diende graaf Willem op loffelijke wijze in het leger der Staten.

Op 39 jarigen leeftijd trad hij in het huwelijk met Albertina Agnes, tweede dochter van Frederik Hendrik en werd in 1654 door den Keizer in den Vorstenstand opgenomen. Op den 24sten October werd hij bij het beproeven van een zadelpistool zwaar in het hoofd gewond, zoodat hij zeven dagen daarna overleed.

Koningen der Nederlanden, namelijk:

Willem I, een zoon van den stadhouder Willem V en geboren te ’s Gravenhage den 24sten Augustus 1772. Hij was in 1791 gehuwd met Frederika Louisa Wilhelmina van Pruissen, nam op roemrijke wijze deel aan den oorlog tegen de Franschen in 1793 en 1794, streed dapper bij Neerwinden, werd door keizer Frans van Oostenrijk aan het hoofd geplaatst van een leger van 50.000 man, maar zag zich genoodzaakt tot den terugtogt. Daarop vestigde hij zich te Berlijn, waar hij zich met onvermoeiden ijver op de staatswetenschappen toelegde, en vertrok vervolgens naar Silézië, waar hij aanzienlijke door hem aangekochte goederen bestuurde.

Bij de landing van het Engelsch-Russisch legerkorps in Noord-Holland in 1799 betrad hij voor korten tijd den vaderlandschen grond, maar keerde weldra naar Duitschland terug, om de goederen in bezit te nemen, welke hem onder den titel van Vorst van Fulda waren toegekend. Van deze beroofd, leefde hij vervolgens op zijne goederen in Posen, trad in 1809 in Oostenrijksche dienst en vestigde zich na den slag bij Wagram in Engeland. Hier bevond hij zich, toen in 1813 Nederland het Fransche juk afwierp en hem uitriep tot souvereinen Vorst. Hij begaf zich herwaarts en aanvaardde het bewind onder de belofte van eene constitutie.

In het volgende jaar zag hij zich door de tegen Napoleon verbondene Mogendheden benoemd tot gouverneur-generaal der Oostenrijksche Nederlanden en in 1815 tot koning over de vereenigde zuidelijke en noordelijke Nederlanden, waarover hij tot 1830 den schepter zwaaide. Toen werden de Belgen afvallig, en Willem I behield alleen de elf noordelijke provinciën. Met hardnekkigheid, maar te vergeefs worstelde hij tegen zulk eene aanzienlijke vermindering van gebied, en toen hij eindelijk de onafhankelijkheid van België had erkend, deed hij den 7den October 1840 afstand van de Kroon, ging, daar zijne gemalin overleden was, een morganatisch huwelijk aan met gravin Henriette d’Oultremont en vestigde zich te Berlijn, waar hij den 12den December 1843 overleed.

Hij was een vorst, die met groote belangstelling de welvaart der ingezetenen zocht te bevorderen en tot leus had: „Alles voor het volk, maar niets door het volk”. Al de draden van het beheer hield hij zooveel mogelijk in handen, zoodat door zijne besluiten de gewigtigste aangelegenheden werden geregeld. Gedurende zijn bewind werd hij als een vader des Vaderlands door zijne aanhangers vergood, maar het bleek vooral na zijn afstand, dat de vrijzinnigen in den lande volstrekt niet gediend waren met zijn landsvaderlijk bestuur.

Willem II (Frederik George Lodewijk), een zoon van den voorgaande en geboren te ’s Gravenhage den 6den December 1792. Hij was met zijn grootvader naar Engeland gevlugt, maar werd reeds in het volgende jaar door zijne moeder naar Berlijn gebragt, waar hij zich in 1809 tot officier bij het Pruissische leger zag benoemd. Niet lang daarna spoedde hij zich weder naar Engeland, bezocht de hoogeschool te Oxford en werd luitenant-kolonel en aide-de-camp bij het Engelsche leger. Daarop vertrok hij met Constant Rebecque naar het Spaansche Schiereiland, om onder Wellington deel te nemen aan den oorlog.

Den 29sten Junij 1811 kwam hij te Lissabon en den 6den Julij in het hoofdkwartier van Wellington, die hem tot zijn adjudant en kort daarna tot kolonel benoemde. Hij woonde er de bestorming bij van Ciudad-Rodrigo en van Badajoz, gaf bij het beleg van Burgos blijken van ongemeene schranderheid en streed bij Celada del Carnino, Villa Rodrigo en Villa Muriël, alsmede in de nabijheid van Salamanca. In den slag bij Vittoria (21 Junij 1813) onderscheidde hij zich door groote dapperheid en in de veldtogten in de Pyreneeën bleef hij den opperbevelhebber vergezellen. Deze zond hem voorts met dépèches naar Engeland, waar de Prins met onderscheiding werd bejegend. Weldra echter keerde hij naar Spanje terug en nam den 10den November 1813 deel aan den slag aan de Nivelle.

Kort daarop begaf hij zich weder naar Engeland en vervolgens naar Nederland, waar hij den 19den December aankwam en drie dagen later benoemd werd tot generaal-en-chef en inspecteur-generaal van alle wapens van het Nederlandsche leger. Eerst in het voorjaar van 1814 was eene legermagt beschikbaar, waarover hij den 11den April 1814 het opperbevel aanvaardde. Met het uitzigt op een huwelijk met prinses Charlotte begaf hij zich naar Engeland, doch de bedoelde echtverbindtenis kwam niet tot stand, zoodat hij weldra terugkeerde naar ’s Gravenhage.

Hij vergezelde voorts keizer Alexander op eene reis door Holland en ging toen naar Brussel, waar hij den 13den Augustus als Engelsch generaal het opperbevel aanvaardde over de Engelsche troepen, die in België moesten blijven. In die dagen werd hij benoemd tot ridder van het Gulden Vlies en van de Bath-orde. Hij werd in België door het volk met de betuigingen eener levendige ingenomenheid begroet en betoonde ook toen reeds die weldadige mildheid, welke hem zijn geheele leven bijbleef, terwijl hij daardoor inzonderheid den bloei der schoone kunsten bevorderde. Hij maakte zich tevens bekend met onze verdedigingsmiddelen aan de zuidelijke grenzen van België, en toen Napoleon van Elba was teruggekeerd, streed hij als bevelhebber van het 1ste legerkorps onder het opperbevelhebberschap van Wellington bij Waterloo en werd er door een geweerkogel in den linker arm gewond. Het dankbaar Nederland schonk hem het domein van Soestdijk, een paleis te Brussel en een domeinpark te Tervueren. Weldra genas zijne wond en reeds den 17den Julij nam hij te Parijs het bevelhebberschap weder op zich. Hij vertrok vandaar den 20sten Augustus, werd vooral te Amsterdam met uitbundig gejuich ontvangen, reisde vervolgens naar Petersburg en trad den 21sten Februarij 1816 in het huwelijk met grootvorstin Anna Paulowna van Rusland.

Toen in 1830 de onlusten in België uitbraken, begaf de Prins zich derwaarts om zoo mogelijk de rust te herstellen. Zijne pogingen, die in het noorden des lands groote verontwaardiging wekten, waren echter te vergeefs, en nadat zijne zending naar Londen, om aldaar sympathie te verwerven voor de zaak van zijn vader, desgelijks mislukt was, zag hij zich benoemd tot opperbevelhebber der krijgsmagt, die gereed stond, België binnen te rukken. In den daarop volgenden Tiendaagschen Veldtogt gaf de Prins doorslaande blijken van krijgskundige bekwaamheid en sloeg de Belgen bij Hasselt en bij Leuven. Bij Bautersum werd zijn paard door een kanonskogel getroffen. Het is bekend, dat het Nederlandsche leger wegens de tusschenkomst der Franschen moest terugtrekken.

De Prins werd nu tot veldmaarschalk benoemd en vestigde gedurende acht jaren als opperbevelhebber van het leger zijn hoofdkwartier te Tilburg. Na het sluiten van den vrede hield hij zich bezig met een ontwerp tot verdediging des lands, en toen zijn vader afstand deed van de Kroon, aanvaardde hij den 7den October 1840 het bewind, waarna den 28sten November daaraanvolgende de inhuldiging plaats had in de Nieuwe kerk te Amsterdam.

Bij zijne troonsbeklimming bevond zich de schatkist in een berooiden toestand en het ontevredene volk verlangde herziening der grondwet. Dat verlangen nam toe, zoodat de Koning daaraan gehoor gaf en in Maart 1848 eene commissie benoemde om bedoelde herziening tot stand te brengen. Zij volbragt met spoed hare taak, zoodat de nieuwe grondwet reeds den 14den October 1848 werd afgekondigd. De Koning opende den 13den Februarij 1849 de Staten-Generaal, voor de eerste maal volgens de nieuwe bepalingen der grondwet gekozen, begaf zich vervolgens naar Tilburg en overleed aldaar den 7den Maart 1849. Door zijne welwillendheid en weldadigheid, door zijne gemeenzaamheid en zijn ridderlijken geest had hij de toegenegenheid verworven van allen, die hem kenden. Te ’s Gravenhage verrees een standbeeld te zijner eere.

Willem III (Alexander Paul Frederik Lodewijk), een zoon van den voorgaande en geboren den 19den Februarij 1817. Hij aanvaardde de regéring den 17den Maart 1849, benoemde, door de omstandigheden gedrongen, in October van dat jaar het vrijzinnig ministérie-Thorbecke, maar bemoeide zich, als een echt constutioneel Vorst, zoo weinig mogelijk met de regéringszaken. In 1874 vierde hij met grooten luister het zilveren feest van zijn Koningschap. Den 18den Junij 1839 was hij in het huwelijk getreden met Sophia Frederika Mathilda (♰ 3 Junij 1877), eene dochter van den Koning van Würtemberg. Beider oudste zoon, geboren den 4den September 1840, overleed te Parijs in 1879, en de tweede zoon, prins Alexander, geboren den 25sten Augustus 1851, is de tegenwoordige Kroonprins.

Nadat koning Willem III zijne eerste gemalin door den dood verloren had, hertrouwde hij den 7den Januarij 1879 met prinses Emma van Waldeck, die hem den 31sten Augustus 1880 eene dochter schonk. Het Koninklijk gezin betrekt slechts nu en dan het paleis te ’s Gravenhage en bevindt zich meestentijds op het lustslot Het Loo bij Apeldoorn. De Koning der Nederlanden draagt, evenals zijn vader en grootvader, tevens de Groothertogelijke Kroon van Luxemburg.

Een Koning van Würtemberg, namelijk:

Willem I, geboren den 27sten September 1781 te Lüben in Silézië, waar zich zijn vader (later Frederik I, koning van Würtemberg) als generaal-majoor in Pruissische dienst in garnizoen bevond. Zijne moeder was prinses Augusta Carolina Frederika Louiza van Brunswijk Wolfenbüttel. Hij begaf zich als knaap met zijne ouders eerst naar Rusland, daarop naar Zwitserland en in 1790 naar Würtemberg, waar zijn vader in 1797 het bewind aanvaardde. In 1800 trad hij als vrijwilliger in Oostenrijksche dienst onder het bevel van aartshertog Johan en onderscheidde zich in den slag bij Hohenlinden, reisde daarop in 1803 in Frankrijk en Italië en woonde als Kroonprins van 1806-1812 zeer stil te Stuttgart.

In 1808 trad hij in het huwelijk met prinses Carolina Augusta van Beijeren, doch scheidde van haar in 1814, waarna zij eene echtverbindtenis aanknoopte met keizer Frans van Oostenrijk. Toen in 1812 Napoleon den veldtogt tegen Rusland ondernam, stond de Kroonprins aan het hoofd van het Würtembergsche contingent, maar moest wegens eene gevaarlijke ziekte te Wilna achterblijven. Toen voorts na den volkerenslag bij Leipzig zijn vader zich aan de zijde der Verbondene Mogendheden had geschaard, aanvaardde de Kroonprins het bevel over het 7de armeekorps, bestaande uit het Würtembergsche contingent en eenige Oostenrijksche en Russische regimenten. Hij legde buitengewone veldheerstalenten aan den dag, gaf den doorslag aan den gunstigen afloop van het gevecht bij La Rothière, maar werd den 18den Februarij bij Montereau aan het wijken gebragt. Ook gedurende den veldtogt van 1815 werd hij belast met een kommando in den Elzas.

In 1816 trad hij in het huwelijk met groothertogin Catharina Paulowna, de weduwe van prins Peter van Holstein-Oldenburg; zij overleed, nadat zij hem twee dochters geschonken had, Maria, geboren in 1816 en in 1840 gehuwd met Alfred, graaf van Neipperg, generaal-majoor in Würtembergsche dienst, en Sophia, geboren in 1818 en overleden als gemalin van Willem III, koning der Nederlanden. Bij het overlijden van zijn vader in 1816 schonk Willem eene algemeene amnestie, verligtte de lasten des volks, beperkte de uitgaven van het Hof en verleende in 1819 aan zijn land eene constitutie. Met welwillenden ijver bevorderde hij de belangen van den landbouw en van de paardenfokkerij, onthield zich van alle begunstiging der reactie op kerkelijk en staatkundig gebied, maar vergat de wegruiming der kleingeestige bureaucratie en openbaarde zijne vaderlandsliefde inzonderheid in een gloeijenden haat tegen Pruissen, vooral in de jaren 1849 en 1850.

Den 15den April 1820 had hij zich op nieuw in het huwelijk verbonden met Pauline, eene dochter van hertog Lodewijk van Würtemberg, en deze schonk hem den 6den Maart 1823 een troonopvolger. Hij overleed den 25sten Junij 1864.

Een hertog van Brunswijk, namelijk:

Willem August Lodewijk Maximiliaan Frederik, hertog van Brunswijk, geboren den 25sten April 1806 en tweeden zoon van den in 1815 bij Quatrebras gesneuvelden hertog Frederik Willem en van prinses Maria Elizabeth Wilhelmina van Baden, die na den slag bij Auerstädt in October 1806 zich met Willem en zijn ouderen broeder Karel eerst naar Zweden en vervolgens naar Bruchsal begaf, waar zij den 20sten April 1808 overleed. De Prins werd daarop in Engeland en sedert 1814 in Brunswijk opgevoed, studeerde in 1822 te Göttingen en trad in 1823 als majoor in dienst bij een regiment Pruissische kurassiers.

In 1826 ontving hij van zijn broeder het vorstendom Oels in Silézië, en toen deze door den opstand van 7 September 1830 verdreven was, belastte Willem zich den 28sten van die maand voorloopig met het bestuur des lands en den 20sten April 1831 voor goed, nadat een besluit van den familieraad Karel onbekwaam had verklaard om te regéren. Hij wist eene goede verstandhouding te bewaren met de Vertegenwoordigers en liet het beleid der zaken in handen van zijne ministers, terwijl hij gedurende het grootste gedeelte van het jaar te Oels vertoefde. In 1866 voegde hij zich niet bij de tegenstanders van Pruissen, maar bij den Noord-Duitschen Bond, doch weigerde standvastig, eene militaire conventie met Pruissen te sluiten. Daar hij ongehuwd is, zal het Huis Brunswijk vermoedelijk met hem uitsterven.

Een landgraaf en keurvorsten van Hessen, te weten:

Willem IV, een zoon van Philips de Grootmoedige en geboren den 14den Junij 1532. Hij wijdde zich in zijne jeugd met ijver aan de studie der wiskunde en vervolgens aan sterrekundige waarnemingen, waartoe hij in 1561 op eene der poorten van Cassel een toren deed verrijzen. Hij werd in 1567 te Cassel opvolger van zijn vader in het bewind en stichter van de Casselsche lijn. Hij overleed den 25sten Augustus 1592. Een gedeelte van zijne waarnemingen werd uitgegeven te Leiden in 1618 door Snellius onder den titel: „Coeli et siderum observationes Hassiae J.P. Wilhelmi”.

Willem I, eersten keurvorst van Hessen, te voren als landgraaf Willem IX. Hij was de zoon van landgraaf Frederik II en van Maria, eene dochter van George II van Engeland, werd geboren te Cassel den 3den Januarij 1743, verkreeg het graafschap Hanau, studeerde te Göttingen, vertoefde gedurende den Zevenjarigen Oorlog aan het Hof van zijn oom, koning Frederik V van Denemarken, met wiens zuster Wilhelmina Carolina hij in 1764 in het huwelijk trad, en aanvaardde voorts zelf de regéring in het graafschap Hanau.

In 1776 verkocht hij aan Engeland zijne soldaten ten behoeve van den oorlog in Noord-Amerika. In 1778 nam hij als Pruissisch generaal-majoor deel aan den Beijerschen Successie-oorlog en werd in 1786 opvolger van zijn vader in het bewind van Hessen-Cassel. Hij bestuurde de zaken des lands met ijver en spaarzaamheid, ruimde vele misbruiken uit den weg, deed fraaije gebouwen verrijzen, voerde belangrijke verbeteringen in op het gebied van de Kerk en van het onderwijs, maar kon zich niet onthouden, vooral sedert de Groote Fransche omwenteling de hand der verdrukking te leggen op zijn volk, bepaaldelijk door zijne geldzucht en zijne begunstiging van het militarismus, dat hem als soldatenverhuurder aan Engeland aanzienlijke voordeelen opleverde.

In den oorlog tegen de Fransche Republiek schaarde hij zich aan de zijde van Pruissen, heroverde den 22sten December 1792 Frankfort aan de Main en deed in 1793 zijne troepen, 12.000 man sterk en in Engelsche soldij, in Vlaanderen op nieuw tegen de Franschen ten strijde trekken. Voor het kleine gebied op den linker oever van de Rijn, dat hij in 1795 verloor, ontving hij tot schadeloosstelling in 1803 de keurvorstelijke waardigheid, welke hij onder den naam van Willem I aanvaardde, alsmede onderscheidene ambten in Keur-Mainz en de rijksstad Gelnhausen. Daar hij zich in 1806 bij Pruissen voegde, doch zonder zijne troepen met het Pruissische leger te vereenigen, werd zijn land na den slag bij Jena door de Franschen bezet, zoodat hij den 1sten November de wijk nam naar Holstein.

Toen hij bij den Vrede van Tilsit vervallen werd verklaard van den troon, terwijl men zijne landen bij het koningrijk Westfalen voegde, begaf hij zich naar Praag. Vanhier vaardigde hij bij het uitbarsten van den Oostenrijksch-Franschen Oorlog in 1809 eene oproeping uit aan de Hessen en verzamelde bij Eger eene kleine armee, waarmede hij zich wederom wilde meester maken van zijne landen, maar hij zag bij den ongelukkigen afloop van den oorlog zich genoodzaakt, zijne troepen eerlang te ontslaan. Eerst na den Volkerenslag bij Leipzig werd het vreemde juk in Keurhessen afgeworpen. Reeds den 21sten November 1813 deed Willem bij het gejuich zijner onderdanen zijn intogt in de hoofdstad en zond dadelijk 20.000 man hulptroepen naar het leger der Verbondene Mogendheden. Ook in 1815 bragt hij 12.000 man tegen Frankrijk te velde.

Zijn wensch om als „Koning der Katten” te worden erkend, vond op het Congrès te Weenen geen gehoor, zoodat hij dan ook den titel van groot-hertog van de hand wees en zich vergenoegde met dien van keurvorst met het daarmede verbonden praedicaat van „Koninklijke Hoogheid”. Voorts behandelde hij de binnenlandsche zaken alsof de tijd zijner ballingschap niet had bestaan. Hij regelde alles op den vroegeren voet, herstelde de voormalige misbruiken, ja, zelfs den haarzak bij de soldaten, verdreef alle vreemdelingen uit het land, tiërceerde de staatsschuld en nam alle staatsdomeinen weder in bezit, ook die welke gedurende de dagen van het Koningrijk Westfalen door anderen gekocht en betaald waren.

Wèl riep hij de oud-Hessische Standen meermalen bijéén, om met hen eene grondwet tot stand te brengen, maar deze bleef achter, omdat de volksvertegenwoordigers zich met kalmte en vastheid tegen zijne willekeur en aanmatiging bleven verzetten, — vooral omdat hij niets wilde hooren van eene scheiding van de staatskas van zijne eigene middelen. Hij verleende uit eigene magt den 4den Maart 1817 eene soort van staatswet, en overleed den 27sten Februarij 1821.

Willem II, een zoon van den voorgaande en geboren den 18den Julij 1777. Hij studeerde te Marburg en te Leipzig en trad den 13den Februarij 1797 in het huwelijk met prinses Augusta, eene dochter van koning Friedrich Wilhelm II van Pruissen. Toen de Franschen in 1806 het land in bezit namen, volgde hij zijn vader naar Holstein en Praag en vertrok in 1809 naar Berlijn. In 1813 streed hij bij Leipzig in de Pruissische gelederen. Hij riep den 30sten October te Cassel de Hessen op tot den strijd tegen Frankrijk, was na den terugkeer van zijn vader bij de uitrusting van het leger ijverig werkzaam, en aanvaardde in Maart 1814 het opperbevel over de troepen, die bestemd waren, de vestingen Metz, Thionville, Luxemburg en Saarlouis in te sluiten.

Na den Vrede van Parijs woonde hij te Hanau. Toen hij na den dood zijns vaders den 27sten Februarij 1821 den troon beklom, wekte hij door doelmatige hervormingen bij velen de beste verwachtingen, maar de hoop, dat hij in overeenstemming met de Standen eene grondwet zou vaststellen, bleef onvervuld. Ook was hij niet genegen, de oude staatswet door eene betere te vervangen. Bij het misnoegen, daardoor opgewekt, kwam nog verdeeldheid onder zijne bloedverwanten. Toen hij zijne minnares, Emilie Ortlöpp uit Berlijn, in 1821 tot gravin von Reichenbach en later tot gravin von Lessonitz verhief, verwijderde zich de Keurvorstin, die in hooge mate de liefde en achting der ingezetenen genoot, van het Hof, en vele leden van den adel volgden haar voorbeeld. De Keurprins spoedde zich naar Berlijn en verzoende zich eerst in 1830 weder met zijn vader.

Ten gevolge van den opstand van 6 September 1830 gaf Willem den 15den van die maand zijne toestemming tot eene vergadering der Standen, en reeds den 5den Januarij 1831 werd de nieuwe constitutie afgekondigd. Wegens onlusten over den terugkeer van de gravin von Lessonitz (11 Januarij), welke men gedwongen had om naar elders te trekken, verplaatste de Keurvorst zijne residentie naar Hanau en belastte den Keurprins met het regentschap. Na dien tijd woonde de Keurvorst bij afwisseling in en bij Hanau (op Philippsruhe), in Baden en te Frankfort aan de Main, gescheiden van zijne gemalin, na wier overlijden (19 Februarij 1841) hij zich in het huwelijk begaf met reeds genoemde gravin von Lessonitz, en na den dood van deze (12 Februarij 1843) met Caroline, barones von Bergen, geboren von Berlepsch. Hij overleed te Frankfort den 20sten November 1847.

Een graaf zu Lippe-Schaumburg-Bückeburg, te weten:

Willem, graaf zu Lippe-Schaumburg-Bückeburg, geboren te Londen den 9den Januarij 1724. Hij ontving zijne opleiding te Genève, studeerde vervolgens te Leiden en te Montpellier en nam daarop als vaandrig dienst bij de Koninklijke lijfwacht in Engeland. Na den dood van zijn ouderen broeder begaf hij zich als toekomstige erfgenaam van het bewind naar Bückeburg, vergezelde zijn vader, in die dagen generaal in Nederlandsche dienst, op een veldtogt in de Nederlanden, terwijl hij zich in den slag bij Dettingen (27 Junij 1743) onderscheidde, en nam voorts als vrijwilliger in het Keizerlijk leger deel aan den veldtogt van 1745 in Italië. Na het overlijden van zijn vader aanvaardde hij het bewind in zijn klein grondgebied en besnoeide er aanstonds de weelde der Hofhouding.

Om zich in de krijgskunde te bekwamen, bezocht hij eerst Frederik de Groote te Berlijn, reisde daarop weder naar Italië en begaf zich ook naar Hongarije. Bij het uitbarsten van den Zevenjarigen Oorlog voegde hij zich met een uitstekend geoefend contingent bij de armee der gealliëerden, zag zich benoemd tot veldtuigmeester-generaal en onderscheidde zich meermalen door zijne dapperheid. In 1759 werd hij opperbevelhebber over de geheele artillerie der Verbondene Mogendheden. Na den aanval van Frankrijk en Spanje op Portugal (1761) belastte de minister Pombal hem met het opperbevel over de vereenigde Engelsche en Portugésche troepen. Willem scheepte in het voorjaar van 1762 zich in over Engeland naar Portugal en werd er terstond tot veldmaarschalk benoemd.

Doch de oorlog nam in datzelfde jaar door den Vrede van Fontainebleau een einde, waarna Willem in 1763 naar zijn vaderland terugkeerde. Hij had in Portugal ook eene militaire school en eene artillerieschool gesticht, alsmede eene sterkte bij Elvas, door den Koning te zijner eere fort Lippe genaamd. In zijn graafschap maakte hij zich zeer verdienstelijk door de bevordering van landbouw en nijverheid en door de opheffing van vele heerendiensten. Ook hier stichtte hij eene militaire académie voor artillerie en genie en deed ten behoeve van deze de kleine vesting Wilhelmsstein aan het Steinhuder Meer verrijzen. In 1767 bragt hij nogmaals een bezoek aan Portugal, om er de organisatie van het leger te voltooijen. Hij overleed den 16den September 1771 en liet slechts eene dochter achter, zoodat zijn neef Philippus II hem opvolgde.

Een hertog van Beijeren, namelijk:

Willem IV, een zoon van Albrecht IV (♰ 1508). Hij regeerde aanvankelijk onder voogdij en sedert 1511 eenigen tijd zelfstandig met zijn broeder Lodewijk over de Beijersche landen, die hij gezamenlijk aan zijne nakomelingen achterliet, omhelsde in 1524 voor het verkrijgen van de souvereiniteit over de bisschoppen in Beijeren en van de opbrengst van Kerkelijke goederen de zaak van het R. Katholicismus en was een van de ijverigste tegenstanders der Hervorming, welke op zijn grondgebied niet geduld werd. Aan de zijde van Karel V nam hij deel aan den Schmalkaldischen Oorlog, maar hij slaagde er niet in, de waardigheid van Keurvorst van de Pfalz te verkrijgen. Nadat hij de Jezuïeten naar Ingolstadt geroepen en alzoo deze universiteit tot een bolwerk der R. Katholieke reactie gemaakt had, overleed hij in 1550.

Een hertog van Saksen, te weten:

Willem, hertog van Saksen, een zoon van keurvorst Frederik de Strijdbare van Saksen. Hij regeerde na den dood zijns vaders (1428) gemeenschappelijk met zijn ouderen broeder, keurvorst Frederik de Zachtmoedige, over de landen van Wettin, verkreeg hij de verdeeling van 1445 Thüringen en de Frankische bezittingen, maar geraakte, door verkeerde raadgevers opgestookt, in twist met zijn broeder, waardoor de Saksische broederoorlog ontstond. Hij verzoende zich eerst den 27sten Januarij 1451 te Naumburg met Frederik, nam ook deel aan de twisten van markgraaf Albrecht Achilles met Nürnberg, volbragt eene bedevaart naar Palaestina en overleed kinderloos in 1461.

Een markgraaf van Baden, namelijk:

Willem Lodewijk August, markgraaf van Baden, tweeden zoon van groothertog Karel Frederik van Baden uit zijn tweede huwelijk met de gravin von Hochberg. Hij werd geboren den 8sten April 1792 te Karlsruhe, droeg tot 1817 den naam van graaf von Hochberg, ontving met zijn broeder (later groothertog Leopold) eene uitmuntende opvoeding, trad in 1805 in krijgsdienst, nam als luitenant-kolonel in het hoofdkwartier van Masséna deel aan den oorlog van 1809 en werd den 8sten November tot generaal-majoor benoemd. In 1812 voerde hij bevel over de Badensche brigade, die in het 9de Fransche armeekorps onder maarschalk Victor werd ingedeeld, en onderscheidde zich vooral in de laatste gevechten van dien noodlottigen aftogt. In Januarij 1813 zag hij zich bevorderd tot luitenant-generaal en zag zich in Augustus belast met het kommando over een pas opgerigt korps uit Baden.

Gedurende den volkerenslag van Leipzig bevond hij zich in de stad zelve, gaf haar bij verdrag over aan de Verbondene Mogendheden, maar wees hunne voorstellen, om zich met hen te vereenigen, ridderlijk van de hand. In 1814 bestuurde hij met 10.000 man uit Baden de blokkades van Straatsburg, Landau, Pfalzburg, Lichtenberg, Lützelstein en Bitsch. Nadat hij in 1815 bij het Congrès te Weenen de belangen van het Badensche Vorstenhuis had voorgestaan, leidde hij bij de nieuwe uitbarsting van den oorlog tegen Frankrijk aan het hoofd van Duitsche troepen de blokkades van Schlettstadt en Neubreisach, alsmede de belegering van Hüningen. Op den 4den October 1817 werden de graven von Hochberg wegens het gevaar, dat de regérende lijn in Baden zou uitsterven, tot groothertogelijke prinsen en markgraven van Baden benoemd.

In 1819 werd hij lid van de Eerste Kamer, in 1825 opperbevelhebber van het leger in Baden, en nam vervolgens ijverig deel aan de openbare aangelegenheden des lands. De volksbewegingen van 1848 noopten hem, het opperbevel over het leger neder te leggen, en wegens ongesteldheid deed hij vervolgens ook afstand van de betrekking van voorzitter der Eerste Kamer. Hij overleed den 11den October 1859. Hij was sedert 1830 gehuwd met Elizabeth, eene dochter van wijlen hertog Lodewijk van Würtemberg.

Een prins van Baden, namelijk:

Willem Lodewijk August, prins van Baden en derden zoon van groothertog Leopold. Hij werd geboren den 18den December 1829, trad in 1849 als eerste-luitenant in Pruissische dienst, zag zich in 1856 als majoor geplaatst bij de garde-artillerie en werd eindelijk generaal-majoor en kommandant van de garde-artilleriebrigade. In 1863 nam hij zijn ontslag en trad in het huwelijk met Maria von Leuchtenburg, aanvaardde in 1866 het opperbevel over de Badensche divisie in het 8ste Bondskorps en haalde zich door zijne groote voorzigtigheid scherpe verwijtingen op den hals.

In den oorlog tegen Frankrijk in 1870 voerde hij bevel over de 1ste Badensche brigade in het korps van Werder, ontving bij Nuits zware wonden, behoorde als afgevaardigde van Baden in 1871-1872 tot den Rijksdag en werd vervolgens tot generaal der infanterie benoemd.

Een hertog van Mecklenburg, namelijk:

Frederik Willem Nikolaas, hertog van Mecklenburg, tweeden zoon van groothertog Paul Frederik en van prinses Alexandrine van Pruissen (eene zuster van keizer Wilhelm I). Hij werd geboren den 5den Maart 1827, nam dienst in het Pruissische leger, werd kommandant van het 6de regiment kurassiers, trad den 9den December 1865 in het huwelijk met prinses Alexandrine van Pruissen, voerde in 1866 bevel als generaal-majoor over eene brigade ligte kavallerie, in 1870-1871 als luitenant-generaal over de 6de afdeeling kavallerie, maar werd den 9den September bij de ontploffing te Laon gewond, bleef tot aan het einde des jaars afwezig en betoonde in de gevechten bij Le Mans (Januarij 1871) groot gebrek aan voortvarendheid. Hij was in 1873-1874 kommandant van de 22ste divisie te Cassel, waar hij algemeene ergernis verwekte door zijne verregaande losbandigheid, zoodat hij op wachtgeld kwam en zich in Schwerin vestigde.

Een aartshertog van Oostenrijk, te weten :

Willem, aartshertog van Oostenrijk, derden zoon van den generaal-veldmaarschalk, aartshertog Karel. Hij werd geboren den 21sten April 1827, koos de militaire loopbaan, nam als vrijwilliger deel aan den Italiaanschen Oorlog van 1848 en 1849 en als inspecteur der veld-artillerie aan dien van 1859. Later werd hij inspecteur-generaal der geheele artillerie en luitenant-veldmaarschalk. Daarenboven bekleedde hij ook voor Oostenrijk het ambt van grootmeester der Duitsche Orde. In den slag bij Königgrätz (1866) voerde hij bevel over de artillerie en werd gewond.

Een prins van Pruissen, namelijk:

Frederik Wilhelm Karel, prins van Pruissen, derden zoon van koning Friedrich Wilhelm II en een broeder van koning Friedrich Wilhelm III. Hij werd geboren te Berlijn den 3den Julij 1783, diende sedert 1799 bij de garde, streed in 1806 aan het hoofd van eene brigade kavallerie bij Auerstädt en was voorzitter van de commissie tot reorganisatie der kavallerie te Tilsit. Om van Napoleon eene vermindering te verkrijgen der aan het land opgelegde oorlogslasten, reisde hij in December 1807 naar Parijs, maar bereikte slechts voor een klein deel zijn oogmerk. Ook vertegenwoordigde hij in 1808 Pruissen op het Congrès te Erfurt. Tegen het einde van dat jaar vergezelde hij den Koning naar Petersburg, woonde sedert Februarij 1809 te Königsberg en nam vervolgens te Berlijn met ijver deel aan de reorganisatie van Pruissen en van het leger.

Gedurende den bevrijdingsoorlog van 1813 bevond hij zich in het hoofdkwartier van Blücher, en in den slag bij Lützen (2 Mei) voerde hij bevel over de reservekavallerie op den linker vleugel der armee, waarna hij in den slag bij Leipzig de vereeniging tot stand bragt van het noorderleger met dat van Blücher. Later bragt hij de 8ste brigade van het armeekorps van York over de Rijn en onderscheidde zich bij Château-Thierry en Laon en vóór Parijs door beleid en moed. Na den Vrede van Parijs vergezelde hij den Koning naar Londen en nam vervolgens deel aan de onderhandelingen van het Congrès te Weenen. In 1815 voerde hij bevel over de reserve-kavallerie van het 4de armeekorps. Sedert den Tweeden Vrede van Parijs vertoefde hij bij afwisseling in Frankrijks hoofdstad en op zijn kasteel Fischbach bij Schmiedeberg in Silézië. Van 1824 tot 1829 was hij gouverneur van de bondsvesting Mainz.

In 1830 benoemde de Koning hem tot gouverneur-generaal van de Rijnprovinciën en van Westfalen, waarna hij zich vestigde te Keulen. Nadat hij in December 1831 deze stad verlaten had, woonde hij bij afwisseling te Berlijn en op Fischbach. In Maart 1834 werd hij generaal der kavallerie en nogmaals gouverneur van de bondsvesting Mainz. Na het overlijden van zijne gemalin Maria Anna, eene dochter van landgraaf Frederik Lodewijk van Hessen-Homburg, zonderde hij zich geheel en al af op Fischbach. Hij overleed te Berlijn den 28sten September 1851.

Een graaf van Poitiers, namelijk:

Willem IX, graaf van Poitiers, den oudsten bekenden minnezanger (troubadour). Hij was een magtig en geestrijk, maar tevens ligtzinnig Vorst, regeerde van 1087 tot 1127 en nam deel aan den ongelukkigen kruistogt van 1101 aan het hoofd van een leger van 300.000 man. Een negental van zijne liederen is bewaard gebleven; deze onderscheiden zich door bevalligheid van vorm en geestrijkheid van inhoud en geven getuigenis van zijne dichterlijke gaven. Ook zijne dochter Eleonore van Poitiers bekleedt eene merkwaardige plaats in de geschiedenis der troubadours.