Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 14-08-2018

2018-08-14

Schenking

betekenis & definitie

Schenking (Eene) is eene overeenkomst, waarbij de schenker zich verbindt, bij zijn leven en zonder belooning eenig goed over te dragen aan een ander, die deze gift aanneemt. Onder het Romeinsch en Fransch regt was zij eene der wijzen, waarop eigendom verkregen werd, en men hield den begiftigde terstond voor eigenaar, zonder dat levering van de zijde des schenkers noodig was. Daarom werden in den Code Napoléon uiterste wilsbeschikkingen tegelijk behandeld met schenkingen onder levenden (donationes inter vivos), terwijl het Romeinsch regt de schenkingen bij overlijden (donationes mortis causa) bijna geheel gelijkstelde met legaten.

De Nederlandsche wetgever begreep echter, dat de schenking onder de overeenkomsten moest worden opgenomen, omdat zij zonder toestemming van beide partijen, schenker en begiftigde, niet kan ontstaan, en, eens tot stand gekomen, door den schenker niet kan worden herroepen. Volgens onze wet verkrijgt de begiftigde door eene schenking de zaak zelve niet, maar het regt om te vorderen, dat de schenker haar aan hem levere.

Ook kent zij alleen schenking onder levenden. Schenking bij overlijden, in ons Vaderlandsch regt bekend, had dan alleen gevolg, wanneer de schenker vóór den begiftigde kwam te sterven en was herroepelijk. Dit laatste is onvereenigbaar met het begrip van overeenkomst. — De aanneming door den begiftigde moet bij authenthieke acte gedurende het leven van den schenker geschieden; zoolang zij niet heeft plaats gehad, bestaat er geene schenking, maar enkel een aanbod van schenking.

Tot huwelijksgiften wordt geene aanneming vereischt, terwijl deze bij giften van roerende goederen en schuldvorderingen aan toonder uit de handeling zelve wordt afgeleid. Schenkingen aan minderjarigen kunnen bij het leven der beide ouders door den vader worden aangenomen, en na overlijden van één hunner door den voogd met regterlijke magtiging.

Sommige personen, zooals minderjarigen en echtgenooten onderling, zijn onbevoegd tot het doen van schenkingen, terwijl de pupil, zelfs de meerderjarige, aan zijn voogd geene giften mag toekennen, vóórdat deze zijne voogdijrekening heeft afgelegd. Toekomstige goederen kunnen wel het onderwerp uitmaken eener overeenkomst, maar mogen niet worden weggeschonken. Schenking van goederen, die aan een ander toebehooren, is nietig. Eindelijk behoeft de schenker de waarde van het geschonken voorwerp niet te vergoeden, wanneer het wordt uitgewonnen; hij is ongehouden tot vrijwaring.