Paalwoningen betekenis & definitie

Paalwoningen noemt men verblijven van menschen, in overouden tijd aan den oever van meren of rivieren op uit het water verrijzende palen gebouwd. Men vindt er intusschen ook in onzen tijd, en wél bij de onbeschaafde volkeren in het noorden van Zuid-Amerika, — voorts op Bornéo, Celébes, Nieuw-Guinéa, Nieuw-Zeeland, de Carolina-eilanden enz. Voorts maakt Heródotus melding van de Paeoniërs in Azië, die in dergelijke paalwoningen waren gehuisvest. Veel merkwaardiger evenwel voor de geschiedenis der beschaving zijn de overblijfselen van paalwoningen uit den vóórhistorischen tijd, welke op onderscheidene plaatsen in Europa werden ontdekt.

Tot de eersten, die ze opmerkten, behoort Keller te Zürich. Deze zag in den winter van 1853 op 1854 bij lagen waterstand bij Meilen aan den oever van het Meer van Zürich eene menigte palen, die er in eene zandlaag waren ingeheid. Tusschen die palen vond hij voorts velerlei overblijfselen van de werkzaamheid van menschen, zooals houtskool en andere organische zelfstandigheden, en zelfs deelen van een menschelijken schedel. Uit dat alles bleek ten duidelijkste, dat de aloude Helvetiërs aldaar hunne meerwoningen hadden opgetrokken. De ruw bekapte palen waren meestal 3- of 4-maal gespleten en afkomstig van eike-, beuke-, berke- en denneboomen.

Gemiddeld hadden zij eene dikte van 12 Ned. duim en eene lengte van 2 tot 3 Ned. el, terwijl zij omstreeks 40 Ned. duim van elkander stonden, evenwijdig aan den oever of ook in het meer voortloopend. De uiteinden der palen waren in het vuur of met de bijl scherp gemaakt. Men vond er trouwens de steenen bijlen, welke men daartoe gebezigd had. Waarschijnlijk dienden zij tevens tot wapens. Voorts ontdekte men er nog vele andere vuursteenen voorwerpen, zooals lans- en pijlpunten, zagen, messen, wrijfschalen van graniet, overblijfselen van de beenderen van herten en zwijnen, en talrijke scherven van ruwe aarden potten.

Allengs ontdekte men ook elders dergelijke meerdorpen aan datzelfde meer of bij andere meren van Zwitserland, zooals in het Moosdorfer-Meer bij Bern, in de Bodensee bij Rohrschach, Steckborn, Feldbach, Wangen (waar men 30tot 40000 palen vond, tot één meerdorp behoorend), in het Pfäffiker-Meer, in de meren van Neuchâtel, Sempach, Genève enz. In het geheel kent men thans in Zwitserland reeds meer dan 200 paaldorpen. Ook in diepe dalen, te voren met water, doch thans met veen gevuld, heeft men er ontdekt. Bij een naauwkeurig onderzoek bleek het, dat de paalwoningen op de volgende wijze waren gebouwd: de buitenste rijen palen waren veelal doorvlochten met takken en twijgen, om de kracht van den golfslag te breken. Ten behoeve van elke woning rezen 4 of 6 palen boven de laag van dwarsbalken omhoog, om het dak te dragen. De vloer, over de dwarsbalken gelegd, bestond uit rondhout en was vermoedelijk met leem geplaveid. De woonverblijven zelven vormden een langwerpig vierkant, en hierin had men een haard, slaapplaatsen enz. De wanden of muren bestonden uit vlechtwerk, en het dak was vervaardigd van stroo, riet of boomschors.

Men heeft de vraag geopperd: Waarom de oorspronkelijke bewoners van Zwitserland hunne woningen boven de meren bouwden. Dit geschiedde hoogst waarschijnlijk, om zich te beveiligen tegen wilde dieren en vijandige stammen. Men onderstelt voorts, dat die oorspronkelijke bewoners Galliërs (Kelten) geweest zijn, hoewel geen geschiedschrijver melding van hen maakt en er bij de komst van Caesar in Helvetië geene paalwoningen meer werden gevonden. Intusschen zijn laatstgenoemde niet allen afkomstig van denzelfden tijd; immers uit de daarbij gevondene voorwerpen blijkt, dat zij drie tijdperken, het steenen, bronzen en ijzeren, vertegenwoordigen. Intusschen heeft men daarbij ook Romeinsche oudheden ontdekt, zoodat de eigenaars dier paalwoningen tevens middellijk of onmiddellijk gemeenschap hebben onderhouden met de Romeinen.

Hoewel omtrent de bewoners dier paaldorpen geenerlei geschiedkundig berigt tot ons is gekomen, geven de daarbij gevondene overblijfselen belangrijke inlichtingen omtrent hunne levenswijs en werkzaamheid. Heer heeft aangetoond, dat zij zich ongetwijfeld bezig hielden met den landbouw, daar zij brood bakten van tarwe en gierst. Ook verzamelden zij appels en peren. Het graan, waaronder zich de zesrijïge gerst bevond, hadden zij ongetwijfeld medegebragt uit Azië. Men vindt er geen spoor van rogge, maar des te meer van gierst. Sommige zaden, door het vuur half verkoold, zijn op den bodem van het meer uitmuntend bewaard gebleven.

Het graan werd niet gemalen, maar op wrijfplaten gekneusd, waarna men er ongezuurd brood van bakte. Men at er voorts pastinaken, wortels, erwten en linzen, gedroogde appels en peren, druiven, kersen, beukelnoten enz. Tot de wilde dieren van het gewest hunner inwoning behoorden de bruine beer, de oer-os, de wisent, de steenbok, het damhert, de eland en de bever. De eigenaars der paalwoningen maakten er jagt op en gebruikten het vleesch tot voedsel, de vellen tot kleeding en de beenderen tot velerlei gereedschap. Voorts leverde vooral de visscherij hun de middelen, om in hun onderhoud te voorzien.

Daarenboven waren de bewoners der paaldorpen in het bezit van huisdieren, daar men van deze eene groote hoeveelheid beenderen gevonden heeft. De kleine veenkoe der toenmalige Zwitsers, tot een langhoofdig en korthoornig ras behoorend, geleek op den uitgestorven bos longifrons en op sommige nog bestaande kleine rassen der bergstreken. Daarenboven vond men er overblijfselen van nog 3 andere rassen, namelijk van het primigenius-, frontosus- en trochacerosras. Ook had men er eene thans uitgestorvene soort van tamme zwijnen.

De gereedschappen der paaldorpers bestonden aanvankelijk uit steen, hout, beenderen, hoorn en klei. Daar echter sommige steensoorten, waarvan zij bijlen vervaardigden, niet in Zwitserland voorkomen, hebben zij die ongetwijfeld door ruilhandel verkregen. Althans de nephrietbijlen moeten uit Azië afkomstig wezen. Van beenderen vervaardigden zij vischangels en harpoenen. Voorts hielden zij zich bezig met het vlechten van manden en matten.

Ook heeft men spinsels ontdekt van vlas; hiervan maakten zij draden, touwen en netten, alsmede geweven stoffen; zelfs heeft men sporen opgedolven van een weefstoel. Inmiddels klommen zij op tot een hoogeren trap van ontwikkeling en bereikten het bronzen en daarna het ijzeren tijdperk. Toen kwamen metalen voorwerpen als huisraad bij hen in gebruik, en tevens zagen zij zich allengs in het bezit gesteld van huisdieren, welke op de onzen gelijken, alsook van nieuwe graansoorten, inzonderheid van haver. Men deed nu de palen verrijzen op dieper plaatsen en bouwde met hulp der betere werktuigen veiliger en geriefelijker woningen, verder in zee. Het aardewerk werd allengs fijner, met graphiet zwart gemaakt en met eenvoudige figuren versierd.

In vele paaldorpen vindt men steenen en bronzen voorwerpen dooreen gemengd, en deze behooren ongetwijfeld tot een tijdperk, waarin de laatsten de eersten begonnen te vervangen. Zij ontvingen de bronzen gereedschappen vermoedelijk uit Italië. Opmerkelijk is het feit, dat de steenen voorwerpen der Zwitsersche paaldorpen in alle opzigten overeenkomen met die der Noordsche graven. Intusschen ontwaren wij in de bronzen voorwerpen in vorm en sieraad eene verrassende gelijkvormigheid met de Skandinavische, Duitsche, Fransche en Engelsche, maar tevens met de oud-Italiaansche (Etruscische) voorwerpen van dien aard, zoodat men mag onderstellen, dat er handelsbetrekkingen hebben bestaan tusschen de stammen der paaldorpers en de Etruscers of de Phoeniciërs. Ook heeft men er barnsteen ontdekt, afkomstig uit het noorden. Van de godsdienst dier aloude paaldorpers is ons niets bekend. Uit eenige afbeeldingen van de maan, onder de overblijfselen van hunnen tijd gevonden, maakte men op, dat zij de maan vereerden. Even weinig weten wij van hunne gestalte, daar men slechts enkele deelen van een menschelijk geraamte, namelijk 4 of 5 onvolkomene schedels en voor ’t overige slechts beenderen van kinderen gevonden heeft.

Naauwelijks hadden Keller, Messikomer, Schwab, Morlot, Troyon, Desor, Suter enz. in Zwitserland paalwoningen ontdekt, toen Desor er desgelijks aanwees in de veenen van Lombardije. Vooral werden er gevonden in het Lago Maggiore, in de meren van Varese en Brianza, bij Peschiéra en Fimone in Venetië, in de Wurmsee in Beijeren, in Oostenrijk, Carinthië, en zelfs in Mecklenburg, Pommeren, Brandenburg, in Frankrijk enz. Het is niet waarschijnlijk, dat al deze paalwoningen afkomstig zijn van hetzelfde volk, al moet ook het meerendeel aan de Kelten worden toegekend. Eindelijk vindt men, gelijk reeds is aangemerkt, een groot onderscheid tusschen de paalwoningen, naar gelang zij opgetrokken werden in het steenen tijdperk of in dat, waarin men zich reeds vertrouwd had gemaakt met de behandeling van metalen.

Laatst bijgewerkt 10-08-2018