Naaldvisschen betekenis & definitie

De naaldvisschen behooren tot de orde der Troskieuwigen (Lophobranchii); zij zijn lang, slank, aalvormig, doch met langwerpige knobbelstrepen bedekt. Zij hebben geene tanden, en hun bek is in geopenden toestand trompetvormig. De neusgaten bevinden zich digt bij de oogen, en de kieuwopeningen liggen schier op den rug. De eijeren worden onder den buik in eene huidplooi medegevoerd en wél door het mannetje.

De kleinste naaldvisch (Syngnathus Ophidion L.) leeft aan onze kusten en vertoont geene andere vin dan eene lange rugvin, hoewel bij de eerste ontwikkeling borstvinnen aanwezig zijn. De grootste soort (S. Acus L.) is zevenkantig en wordt bijna 1 Ned. el lang; zijn staart is zeskantig en zijne kleur bruinachtig geel met bruine strepen. Hij wordt als aas bij de kabeljaauwvisscherij gebruikt. Eene afdeeling der naaldvisschen draagt den romp hooger dan den staart en is krom gebogen. Daartoe behoort het zeepaardje, dat in de Europésche en Oost-Indische zeeën voorkomt. De iris zijner oogen heeft gedurende zijn leven een fraaijen zilverglans en zijn kop en rug zijn met borsteltjes bezet. In de muséa voor natuurlijke historie ontbreekt hij zelden.

Laatst bijgewerkt 10-08-2018