Maatschappij betekenis & definitie

De Maatschappij. Het leven en de ontwikkeling van den afzonderlijken mensch en alzoo van de menschheid worden alleen mogelijk door de onderlinge vereeniging dier enkelen. Wanneer de mensch zich afzondert van zijne natuurgenooten, gaat hij verloren naar ligchaam en geest. Bij eene onderlinge vereeniging van menschen is het intusschen onnoodig, dat hare voorwaarden vooraf besproken worden.

Zij ontstaat van zelve en ontwikkelt zich op hare eigenaardige grondslagen, namelijk de meest mogelijke vrijheid en zelfstandigheid harer leden en de gelijkheid van allen. Zoo onstaan door de behoefte aan overeenstemming verschillende vereenigingen, zooals het huwelijk, waaruit het huisgezin voortkomt, de Kerk en de Staat. Deze drie zijn echter zeer eenzijdig en bepalen zich tot eene enkele openbaring van ’s menschen leven. Eene algemeene vereeniging echter, die den geheelen mensch omvat, is de maatschappij. Door de vereeniging van alle menschen, die onderling verschillend zijn van aard en talent, zoekt zij de grootst mogelijke hoeveelheid der voor den mensch nuttige en aangename rijkdommen te verwerven, ten einde die ter beschikking te stellen van hen, die er behoefte aan hebben en zich inspanning getroosten om ze te verwerven. Daar de maatschappij de meest volkomen vorm van vereeniging is, kan het ons niet bevreemden, dat zij ter naauwernood bestaat bij die volkeren, welke zich op den laagsten trap van ontwikkeling bevinden, alsmede dat er vele eeuwen zijn voorbijgegaan vóórdat men het wezen der maatschappij doorgrondde. Oudere schrijvers maken geenerlei melding van eene maatschappij, en waar Rousseau spreekt van een „Contract Social”, daar heeft hij enkel het oog op den Staat. Eerst sedert de groote Fransche Revolutie heeft men zich, vooral naar aanleiding van de geschriften der Socialisten, op de sociale wetenschap toegelegd, waarover ook in onze dagen het laatste woord nog niet gesproken is.

Maatschappijen in meer beperkten zin zijn vereenigingen van personen tot een bepaald doel. Zoo heeft men in ons Vaderland de Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leiden en vooral de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, die in al onze steden en dorpen van eenig belang hare departementen heeft, omstreeks 15000 leden telt en bijna eene eeuw heeft bestaan.