Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 08-08-2018

Lázarus

betekenis & definitie

Lázarus, afkomstig van Eleazar, was, volgens het Evangelie van Johannes, de door Jezus uit de dooden opgewekte broeder van Martha en Maria van Bethanië. — In de gelijkenis van den Rijken man wordt die naam aan den Armen man gegeven. De R. Katholieke Kerk verhief laatstgenoemde tot beschermheilige der kranken, vooral dergenen, die aan uitslagziekten lijden, en naar hem zijn ook de hospitalen, welke vooral tijdens de Kruistogten ter genezing van zoodanige ongesteldheden in grooten getale werden gesticht, met den naam van lazareth bestempeld. — In Palaestina ontstond in dien tijd ook eene ridderorde, die zich zoowel door dapperheid als door ziekenverpleging in het Heilige Land verdienstelijk maakte, namelijk de Lázarusorde of die der hospitaalridders van den H. Lazarus. Na het midden der 13de eeuw verspreidde deze Orde zich overal in Europa en had vooral in Frankrijk haren zetel. Sedert de 15de eeuw echter kwam zij in Italië zoozeer in verval, dat Innocentius VIII haar ophief (1490) en hare goederen toewees aan de Maltézer ridders.

Niettemin werd zij door Leo X hersteld, en Gregorius XIII vereenigde haar in 1572 met de pas-gestichte Maurits orde, die zich de uitroeping der ketterij ten doel stelde. De broeders der Orde in Frankrijk wilden echter deze vereeniging niet erkennen zoodat zij zich afscheidden van hunne medeleden in Italië; maar ook zij konden hunne zelfstandigheid niet handhaven, daar koning Hendrik IV deze Orde vereenigde met die van Onze Lieve Vrouw van den berg Carmel. De opperste der Lazaristen werd verheven tot grootmeester der nieuwe Orde en onder Lodewijk XIV belast met het toezigt op de hospitalen in geheel Frankrijk. Onder velerlei lotverwisselingen bleef de Orde nog lang bestaan en werd eerst in 1830 opgeheven. — Lazaristen is voorts de naam der leden van eene te Parijs in 1624 door Vincentius de Paula gestichte Orde, die aanvankelijk zonder bepaalde gelofte de verpligting op zich namen om overal heen te gaan, werwaarts zij door bisschoppen of pastoors geroepen werden, om onderrigt en leiding te verschaffen aan het verwaarloosde volk. Dientengevolge verkregen zij den naam van priesters der zending. Zij bepaalden zich alzoo bij de inwendige zending.

Koning Lodewijk XIII bevestigde deze Orde in 1627, paus Urbanus VIII in 1631; daarna legden zij ook geloften af en hielden zich, even als de Broeders der Barmhartigheid, met de ziekenverpleging bezig. Omdat hun de priorij van St. Lasare te Parijs werd afgestaan, ontvingen zij den naam van Lazaristen. In Polen verwierven zij als zendingvaders en als leeraren aan de seminaria grooten invloed. In Frankrijk bleef de vereeniging zelfs bestaan onder de stormen der Omwenteling, en zij heeft er zich in den jongsten tijd aanmerkelijk uitgebreid. Ook bestaat zij in Spanje, Oostenrijk en Azië, vooral in China, en hare zendelingen bezoeken alle oorden der wereld.