Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 08-08-2018

Karwei

betekenis & definitie

Karwei (Carum Carvi L.) is de naam van eene plant, welke tot de familie der Schermbloemigen (Umbelliferae) en tot het geslacht Carum behoort. Dit laatste onderscheidt zich door een onduidelijken of kort 5-tandigen kelkzoom, eenigzins ongelijke bloembladeren, die omgekeerd-eivormig en uitgerand zijn en een ingebogen topslip bezitten, en eene langwerpige of eivormige vrucht met draadvormige ribben, terwijl het kiemwit naar de rugzijde is afgeplat. De karwei heeft geenerlei of zeer armbladige lomwindsels, langwerpige, dubbelgevinde bladeren met vinspletige blaadjes, welke lijnvormig-spitse slippen bezitten, die der onderste jukken op den gemeenschappelijken bladsteel gekruist, de hoogere vaak met fijn geslipte aanhangsels aan den voet der scheede.

Zij is eene 2-jarige plant met een geurigen penwortel en komt op onze weilanden voor. Wij geven hierbij de afbeelding der geheele plant in a op ⅓de der natuurlijke grootte, — voorts in b eene bloem, in c eene vrucht, in d eene overlangsche en in e eene dwarse doorsnede der halve vrucht, alles op viervoudige grootte.

Het karweizaad bevat, behalve de gewone bestanddeelen van zaad, eene eigenaardige aethérische en eene gele, dikke, zacht-smakende vette olie, welke men door persing daaruit verkrijgen kan. Zij heeft wegens haar gehalte aan aethérische olie den reuk en smaak van deze. De aethérische olie verkrijgt men uit het zaad door destillatie; zij heeft den eigenaardigen reuk en den bitteren, scherpen smaak van karweizaad in hooge mate. Onmiddellijk na de overhaling is zij kleurloos en dunvloeibaar, maar in de lucht wordt zij weldra dik en ontvangt een terpentijnachtigen smaak. De karwei-olie heeft een soortelijk gewigt van 0,938 en begint bij 98° C. te koken, terwijl haar kookpunt zich tot 245° verheft. Zij is een mengsel van 2 verschillende oliën — eene zuurstofvrije en eene zuurstofhoudende. Karweizaad gebruikt men als specerij in brood en gebak, maar vooral tot bereiding van den drank, dien de Duitschers met den naam van „Kümmel” bestempelen.