Haarlem betekenis & definitie

Haarlem, de hoofdstad der Nederlandsche provincie Noord-Holland, ligt aan de beide oevers van het Spaarne, 3 uur gaans van Amsterdam en 5 uur gaans van Leiden, aan den Hollandschen spoorweg, die laatstgenoemde 2 steden verbindt, alsmede aan eene trekvaart, welke haar met Amsterdam vereenigt. Voorts bevindt zij zich niet ver van de bevallige duinstreek, welke zich langs Overveen, Bloemendaal enz. uitstrekt langs de kust der Noordzee. Zij is eene zindelijke en wèlgebouwde stad met eene bevolking van omstreeks 32000 zielen. Tot de merkwaardige gebouwen behoort er de Groote- of St.

Bavo’s Kerk, waaraan 67 jaar is gewerkt. Zij werd in 1538 voltooid en rust op 28 zware kolommen; haar orgel, in 1738 door Christiaan Muller vervaardigd, heeft eene binnen- en buitenlandsche vermaardheid. Men ziet er een wit marmeren gedenksteen ter eere van Bilderdijk enz., benevens eenige oudheden. Op de groote markt verheft zich het antieke stadhuis, weleer een paleis van graaf Willem II, die het in de eerste helft der 13de eeuw deed bouwen, met vele afbeeldingen van Graven en Gravinnen van Holland en een aanzienlijk muséum van schilderijen van oude meesters vooral van Frans Bals. Een ander oud gebouw is het Prinsenhof, alwaar zich de stedelijke boekerij en eene teekenschool bevinden.

Wijders heeft men er de stads doelen, in 1562 gesticht, met een gedenkteeken ter eere van den dapperen Wijbout Ripperda, — Teylers Muséum met eene sterrenacht, eene bibliotheek, eene verzameling van natuurkundige werktuigen, van fossiliën en mineralen, oude munten en kostbare schilderijen, — een muséum voor natuurlijke historie van de Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen, — een modellen-kabinet der Nederlandsche Maatschappij van Nijverheid, — onderscheidene hofjes voor bejaarde lieden, een gymnasium, eene hoogere burgerschool met vijfjarigen cursus, eene Rijks kweekschool voor onderwijzers, eene kweekschool voor onderwijzeressen, enz. De oude bolwerken der stad zijn in sierlijke wandelingen herschapen en in hare nabijheid, waar vele sierlijke villa’s zich verheffen, bevinden zich beroemde bloemkweekerijen. Voorts heeft men er den Haarlemmer Hout met prachtig geboomte en een ruimen hertenkamp bij het Paviljoen, door den Amsterdamschen bankier Hope gesticht, daarna van 1814 tot 1820 een zomerverblijf van de prinses-weduwe van Oranje en thans een Rijks muséum van schilderijen van levende meesters en een koloniaal muséum. Zoowel in den Hout als op het marktplein te Haarlem aanschouwt men een gedenkteeken ter eere van Laurens Janszoon Koster, door velen voor den uitvinder der boekdrukkunst gehouden.

In de eerste helft der 18de eeuw was Haarlem eene bloeijende fabriekstad met 40000 inwoners; aanzienlijk waren er toen vooral de zijde-, linnen-, servet-, katoen-, kant- en garenfabrieken en vooral de linnenbleekerijen. Ook thans nog heeft men er belangrijke fabrieken van verschillenden aard, waaronder zich 3 van stoom- en andere werktuigen bevinden. Merkwaardig is er ook de groote boekdrukkerij van Enschedé en Zonen, alwaar sedert meer dan 2 eeuwen de „Opregte Haarlemmer Courant” wordt gedrukt.

Haarlem was in den beginne een sterk kasteel, doch reeds omstreeks het midden der 12de eeuw eene groote, bevestigde en welvarende stad, die gedurig deel nam aan de oorlogen van Holland tegen de West-Friezen. Nadat zij door brand geteisterd was, deed men in het begin der 15de eeuw eene nieuwe stadswijk op den anderen oever der Spaarne verrijzen. In 1492 werd zij overweldigd door het Kaas- en Broodvolk, maar nog in hetzelfde jaar door den stadhouder des Keizers — hertog Albrecht van Saksen — weder veroverd, van al hare voorregten beroofd en met eene aanmerkelijke schatting belast. In 1559 werd zij de zetel van een bisschop. Hare inwoners ondersteunden in 1572 met kracht den opstand tegen Spanje, doch in 1573 rukte de zoon van Alva — don Frederik — met 30000 man vóór hare wallen.

Dapper verdedigden zich do burgers, en zelfs de vrouwen, onder aanvoering van Kenau Hasselaar, kwamen in ’t geweer. Toen echter na eene volharding van 7 maanden geen voldoend ontzet opdaagde, de toevoer langs het Haarlemmer Meer afgesneden werd, en de hongersnood begon te nijpen, moest zij zich overgeven. De Spanjaarden hadden genade beloofd, maar schonden die belofte door de schandelijkste gruwelen. In 1577 echter werd zij door den prins van Oranje aan de Spanjaarden ontrukt, waarna zij in de handen der Nederlanders bleef. In 1587 echter werd zij wederom door de vlammen geteisterd, en haar lateren bloei was zij vooral verschuldigd aan de Fransche uitgewekenen, die, door de opheffing van het edict van Nantes uit hun vaderland verdreven, aldaar eene geschikte werkplaats vonden voor hunne nijverheid.

Laatst bijgewerkt 08-08-2018