Gabelentz betekenis & definitie

Gabelentz (Hans Conon von der), een uitstekend taalkundige, geboren te Altenburg den 13den October 1807, studeerde te Leipzig en te Göttingen en trad in Saksen-Altenburg in staatsdienst, In 1843 zag hij zich bevorderd tot „geheim Kammerund Begierungsrath”, en in 1844 wees hij eene benoeming tot curator van de universiteit te Jena van de hand. In 1847 werd hij verkozen tot landmaarschalk in het hertogdom Weimar, en was daarna werkzaam als lid van het Parlement te Frankfort. In het laatst van 1848 werd hij minister-president in Altenburg, doch legde in Augustus 1849 die betrekking neder, en ging in 1850 naar het Parlement te Erfurt, waarna hij in 1851 tot voorzitter der volksvertegenwoordiging in Altenburg gekozen word. Al vroeg onderscheidde hij zich door zijn lust, om vreemde talen te leeren, zoodat hij op het gymnasium zich reeds toelegde op de kennis van het Chineesch, waarna hij aan de hoogeschool zijne oefeningen met ijver voortzette.

Hij schreef onder anderen: „Eléments de la grammaire mandchoue(1833)”, — „Grammatik der nordwinischen Sprache”, — „Grundzüge der syrjänischen Grammatik (1841)”, — en „Ueber die samojedische Sprache (1850)”. Voorts leverde hij met zijn vriend Löbe eene nieuwe critische uitgave van de Gothische bijbelvertaling van Ulphilas, almede belangrijke „Beiträge zur Sprachenkunde (1852)”, waarin de Dajak-, Dacota- en Kiriri-talen behandeld worden, — eene „Grammatik und Wörterbuch der Kassiasprache (1857)”, — en eene proeve van onderzoek naar de Melanesische talen. Eindelijk heeft hij Mandsjoe-vertalingen van Chinésche werken uitgegeven en talrijke opstellen in tijdschriften.

Laatst bijgewerkt 07-08-2018