Synoniemen van Gaan

2019-09-18

Gaan

zie ook daargaje; daar gaat-ie weer voor niets; dat gaat nergens over; gaan als een banaan; gaat-ie lekker; groot/zwaargaan; hardgaat-ie; het gaat als geitenkeutels; op leuk gaan; te gek gaan op; uit de broek gaan: 1. - over,zich bezighouden met; behandelen; bespreken: de minister van financiën gaat over geld. Gaan over iemandis ‘zorg dragen voor iemand; verantwoordelijkheid hebben over iemand’: de dokter gaat over de patiënt.Modieuze uitdr. die eind jaren tachtig in zwang gekomen is. He...

Lees verder
2019-09-18

Gaan

Gaan - 'nog x minuten te gaan': te spelen. Vertaling van Eng. x minutes to go.

2019-09-18

gaan

1. Voor een honderdtal: down gaan in een (meestal gedoubleerd) contract. Voorbeeld: voor 1100 gaan. 2. Naar een manche of slem: al of niet direct uitbieden. 3. M.b.t. het wedervaren in een wedstrijd: goed gaan of slecht gaan. 4. Bij de beschrijving van een biedverloop: ‘Het bieden ging... Zie ook: laten gaan; naar bed gaan met

Lees verder
2019-09-18

gaan

gaan - Werkwoord 1. ergatief zich in een bepaalde richting bewegen, meestal van de spreker af Hij ging naar Amerika. 2. mogelijk zijn Dat gaat niet. 3. (auxl) vormt een onmiddellijke toekomende tijd En nu ga ik slapen. Woordherkomst afkomstig van: Middelnederlands: gaen, gaan, ghan, ganghen Oudernederlands: gān Germaans: *gānan In...

Lees verder
2019-09-18

gaan

^verouderd taalgebruik voor: in conditie zijn. In Juli - wij schrijven nu 1923 - komt hij naar Holland. ‘Ga je?’ vragen wij hem in rennersjargon.Want renners spreken altijd van ‘gaan’. Als ze ‘gaan’, zijn ze in conditie... zijn ze snel. Als ze niet gaan... staan ze stil. Want hun jargon geeft veelal wilde overdrijving en uitersten. Als ’n renner met ’n goeie lengte verliest, zegt hij: °k ging ook niet, ’k stond gewoonweg stil’. (Joris van den Bergh: Te midden der kampioenen....

Lees verder
2019-09-18

gaan

gaan - onregelmatig werkwoord 1. je verplaatsen of voortbewegen ♢ we gaan naar Amsterdam 1. ervandoor gaan [wegvluchten] 2. uit de weg gaan [opzij stappen] 3. hem zijn gang laten gaan [je niet met hem bemoeien] <...

Lees verder
2019-09-18

Gaan

GAAN, (ging, heeft en is gegaan), zich te voet voortbewegen: ik ben dat eind maar gegaan, een rijtuig was mij te duur; het kind kruipt, eer het gaan (gewoner loopen) kan; langs de straat gaan; — niet gaan of staan kunnen, bedlegerig zijn; — gaande en staande zijn, ziekelijk zijn, zonder het bed te moeten houden; — zooals hij gaat en staat, zooals hij is, er uitziet; — waar ik ga of sta, waar ik mij wend of keer, overal: — die weg is een uur gaans; rechtuit-, ver gaan; vlug, langzaam, m...

Lees verder
2019-09-18

gaan

Verkorting van heengaan*: doodgaan; sterven. Vaak verbonden met het werkwoord ‘komen’. ‘Komen en gaan’ betekent: geboren worden en sterven. Men kan ook naar ‘een betere wereld* gaan’ of ‘de weg* van alle vlees gaan’. Men spreekt... van het groot getal van kinderen, dat men heeft zien komen en gaan. Betje Wolff: Historie van den heer Willem Leevend. 1784-1783 Mijn moeder kon ook niet stilzitten. En ze hield van poëzie. Ze is overleden toen ik negentien was. Ik hield heel...

Lees verder
2019-09-18

Gaan

Gaan noemt men een gelijkmatig voortbewegen van het levend ligchaam door middel van het verzetten der voeten, en van doode voorwerpen (wijzers van uurwerken enz.) door middel van een kunstmatig aangebragt drijfwerk. Door geringere snelheid onderscheidt zich het gaan van menschen en dieren van het loopen, en door zijne rustige beweging van het huppelen en springen. Het huppelen vindt men bij de vogels. De amphibiën en insecten hebben over het algemeen een kruipenden gang en bij de viervoetige di...

Lees verder
2019-09-18

Gaan

Gaan - is die wijze van voortbewegen, waarbij de nieuwe steun (of hang aan) op het eene lichaamsdeel reeds is verkregen, voordat die op het andere is opgeheven. Het gaan wordt verdeeld in gewoon en kunstmatig gaan. Voorbeelden van dit laatste zijn: gaan met dijheffen, met onderbeen heffen, gaan met aansluiten, gaan met tusschentred.J. H. Custers.

Lees verder