Florence betekenis & definitie

Florence, in het Latijn Florentia, in het oud-Italiaansch Fiorenza, thans Firenze, was tot aan 1859 de hoofdstad van Toscana en van 1865 tot 1 Julij 1871 die van het koningrijk Italië. Zij telde in 1861 bijna 115000 en als hoofdstad des Koningrijks in 1870 ongeveer 300000 inwoners, terwijl dit aantal thans wel op de helft verminderd zal zijn. Zij ligt op 43°46' N. B. en 28°57' O. L. van Ferro in een bevallig oord aan de Arno, die hier tusschen prachtige kaaijen besloten en 100 tot 130 schreden breed is, de stad in 2 deelen splitsende.

Vier steenen bruggen zijn binnen de stad over de rivier gelegd, en van deze is de door Ammanati (1567—1570) gebouwde de schoonste; twee kettingbruggen bevorderen voorts boven en beneden de stad het verkeer in de voorsteden. Zij telt 8800 huizen, en de tegenwoordige ringmuur, in den aanvang der 14de eeuw voltooid, heeft 11 poorten. Twee citadellen verdedigen de stad. Een groot deel der straten is zeer naauw, doch vele daarvan werden in de laatste jaren aanmerkelijk verbreed. De zindelijkheid, schoon beter dan te Rome en te Napels, laat er veel te wenschen over. Tot de fraaiste straten behooren er de Via Calzajoli tusschen het Domplein en de Piazza del Granduca, — de Via Larga, thans Via Cavour, met prachtige paleizen, — de kaaijen langs de Arno, — de Via Maggio, — de Via della Scala, enz. Men ziet er hier en daar schoone paleizen naast elkaar in naauwe straten. Het plaveisel bestaat er uit platen van krijtzandsteen (macigno).

Er zijn 18 openbare pleinen; van deze is de Piazza Maria Antonia (thans dell’ Independenza) het grootste, — en de Piazza del Granduca (thans della Signoria) met het Palazzo Vecchio en de Loggia dei Lanzi het merkwaardigst. Hier vindt men een standbeeld van „David” door Michele Angelo, — en van „Héracles (Hercules), Cacus doodend”, door Bandinelli, voorts eene groote fontein met een reusachtig beeld van „Neptunus” van Ammanati, en bronzen figuren van Giambologna, enz. De Piazza della Santissima Annunziata is van 3 zijden door zuilengangen omgeven, en met 2 fraaije fonteinen en het ruiterstandbeeld van Ferdinand I versierd. Op het plein Sta Maria Novella, waar 2 obelisken verrijzen, werden tot aan 1853 daags vóór het feest van Johannes de Dooper wedrennen met wagen, paarden en paardenmenners in Romeinsch gewaad gehouden. Voorts zijn het Domplein, het plein van Sta Croce met een in 1865 opgerigt monument voor Dante, het plein del Carmine, en dat van Sto Spirito het merkwaardigst.

Men vindt er een groot aantal ruime paleizen, in gestrengen stijl gebouwd, met onversierde gevels en vaak uit groote, ruwbekapte steenen (rustico) opgetrokken. Treedt men binnen de poort, dan bereikt men gewoonlijk een vierkant, door zuilengangen omgeven plein, vanwaar men zich langs veelal steile trappen naar de woonkamers begeeft. De gecreneleerde tinnen, de met ijzer beslagene poorten en de dikte der muren, die wel eens 2 Ned. el beloopt, alsmede de torens, die zich daarboven verheffen, — dat alles herinnert aan de partijtwisten der middeleeuwen, toen de woning van den edelman tevens eene vesting moest zijn. Het aanzienlijkste paleis is hot Palazzo Pitti, dat in den gestrengen stijl der 15de eeuw gebouwd is. Zijn front heeft eene lengte van meer dan 100 schreden.

Het werd ten behoeve van Luca Pitti, die er zijn geheele vermogen in versmelten zag, door Filippo Brunelleschi begonnen, doch eerst in 1837 voltooid. Het bevat in zijn 900 vertrekken een verbazenden rijkdom van kunstwerken, vooral van schilderijen; men heeft er in 5 groote en vele kleine zalen kostbare doeken der grootste meesters, zooals de „Madonna della Sedia” en de „Madonna del Granduca van Rafaël, — voorts stukken van Titiaan, Perugino, Fra Bartolommeo, Andrea del Sarto, Guido Reni, Salvator Rosa, enz. Ook prijkt er een „Venus” van Canova. In den grooten en fraaijen Giardino-Boboli vindt men eene menigte standbeelden, die echter meerendeels tot het tijdperk van verval behooren. In het Palazzo Vecchio, van 1865 tot 1871 de zetel van het ministérie van Buitenlandsche Zaken, aanschouwt men de Zaal der Vijfhonderd, eene der grootste van Europa.

Daarenboven zijn er vele kunstgewrochten, en het is gekroond met een rijzigen toren ter hoogte van ruim 100 Ned. el. Tegenover dit aloud verblijf der Signoria ontwaart men de Loggia dei Lanzi (Zaal der lansknechten) met vele prachtige beeldhouwwerken, zooals de „Judith” van Donatello, „De roof der Sabijnsche maagden” van Giambologna, — den „Perseus” van Cellini, — „Menelaus met het lijk van Patroclus”, enz. Aan het Palazzo Vecchio grenzen de Uffizj, een grootsch gebouw, door Vasari op last van Cosimo I gesticht; daarin bevinden zich in evenwijdige vleugels, door zuilengangen ondersteund, de bibliotheek van Magliabechi, het geregtshof en het archief, en op eene hoogere verdieping in 2 gaanderijen, die meer dan 100 schreden lang zijn, en in 22 zalen de Galleria degli Uffizj met eene hoogst kostbare kunstverzameling. Hier heeft men schilderijen, gravures, beeldhouwen mozaïekwerk, bronzen voorwerpen, vazen, munten en gemmen. Merkwaardig is er vooral de Tribune, een achthoekig vertrek, waarin men de Venus dei Medici, den Apollino, den Worstelaar, den Faun op pauken slaande, de Madonna del Cordellino en nog 5 andere stukken van Rafaël, schilderijen van Titiaan, Correggio, Rubens, Michele Angelo, Paolo Veronése, Andrea del Sarto enz. aantreft. In de zaal van Niobé ontwaart men het beeld dezer vrouw met de daarbij behoorende beelden, eene groep, die in de 16de eeuw te Rome werd opgedolven.

Hoogst merkwaardig en eenig in hare soort is er voorts eene verzameling van 400 portretten van beroemde meesters, meerendeels door hen zelven geschilderd. Ook bevindt er zich eene verbazend rijke verzameling van handteekeningen. Eene derde kunstverzameling vindt men er in de Académie op het Marcus-plein, bestaande in een groot aantal, naar tijdsorde gerangschikte schilderijen van Florentijnsche meesters der oude school. Van de overige paleizen noemen wij het Paazzo-Strozzi, — het Palazzo-Riccardi, voorheen de woning van de Medici der oudere lijn, in 1865 in gebruik genomen ten behoeve van het ministérie van Binnenlandsche Zaken, — het Palazzo-Bargello of het kasteel van den Podesta, ook al in een geregtshof en gevangenis herschapen, doch thans gerestaureerd en in een muséum van voorwerpen uit de middeleeuwen veranderd, — het Palazzo-Gandolfini, naar het ontwerp van Rafaël gebouwd, — het Palazzo-Corsini, Capponi, Gondi, Rucellai enz. Het Palazzo-Corsini aan de Arno-kaai bevat eene belangrijke verzameling van schilderijen, en van de andere aanzienlijke woningen is nagenoeg geene enkele geheel en al van kunstgewrochten verstoken.

Onder de 170 kerken en kapellen komt de eerste plaats toe aan den reusachtigen Dom, gewijd aan Sta Maria, del Fiore; zijn schip en koor zijn tegen het einde der 13de eeuw door Arnolfo di Lapo op de plek der oude kerk van Sta Reparata gebouwd. Anderhalve eeuw later werd hij door Brunelleschi met een dubbelen koepel gekroond. De Dom is 160 Ned. el lang en de buitenste spits van den koepel 125 Ned. el hoog. De alleenstaande vierkante klokkentoren, door velen voor het fraaiste gebouw der stad gehouden, is door Giotto en Gaddi in de 14de eeuw opgetrokken, met beelden en relièfs versierd en 95 Ned. el hoog. De Dom en de toren zijn met veelkleurig marmer bekleed: de façade van den Dom is echter nog niet afgewerkt, maar zal naar het plan van De Fabris worden voltooid. Deze tempel is van binnen eenvoudig en indrukwekkend.

Tegenover den Dom verheft zich het vierhoekig, van binnen met fraai mozaïek versierde baptisterium (San Giovanni) met de beroemde bronzen deuren van Ghiberti en Andrea Pisano; deze doopkapèl is in de 12de eeuw gebouwd. Merkwaardige kerken zijn er voorts die van Sta Maria Novella in Toscaansch-Gothischen stijl, met eene marmeren fa^ade en met vele fresco's der beroemdste Florentijnsche meesters, — van Sto Spirito, gebouwd door Brunelleschi in den stijl der basiliken, — van Sta Croce, het pantheon van Florence, een indrukwekkend gebouw van Arnolfo di Lapo met de praalgraven van Dante, Michele Angelo, Galiléi, Macchiavelli en andere beroemde burgers der stad, terwijl er voor korten tijd uitstekende fresco’s van Giotto ontdekt zijn, — van Santissima Annunziata, van lateren tijd, maar met vele kunstwerken getooid, — van San Lorenzo, naar het ontwerp van Brunelleschi verrezen, met veel beeldhouwwerken en met 2 kapéllen, van welke de eene een paar fraaije grafmonumenten der oudere Medici van Michele Angelo bevat, terwijl zich in de andere rijk met fraaije gesteenten versierde praalgraven der Groothertogen bevinden, — van San Michele, eerst een graanmagazijn, doch door Orcagna in eene kerk veranderd, met prachtige ramen in spitsboogstijl, 12 standbeelden en groepen van Donatello, Verocchio enz., een beroemden tabernakel van Orcagna enz. Niet ver van de stad verheft zich de merkwaardige basilica San Miniato al Monte, in de 12de eeuw herrezen, doch te zeer gerestaureerd en in een Camposanto (begraafplaats) veranderd. Van de talrijke kloosters, die in 1865 meerendeels door het rijksbestuur in beslag werden genomen, noemen wij die van Sta Maria Novella, Sta Croce en San Marco. Dit laatste bevat fraaije fresco’s van Fiésole en is door de gedachtenis van Savonaróla geheiligd.

Onder de wetenschappelijke verzamelingen moet in de eerste plaats het muséum voor natuurlijke historie worden vermeld. Behalve opgezette dieren, vooral vogels, vindt men er uitstekende was-praeparaten voor anatomie en zoötomie en zelfs vele in was geboetseerde planten, — voorts eene sterrewacht, een botanischen tuin enz. Hier worden voorlezingen gehouden over alle deelen der natuurkundige wetenschap, welke kosteloos voor ieder toegankelijk zijn. Men ziet er in de Galiléi-tribune alle werktuigen en voorwerpen vereenigd, die aan dezen uitstekenden geleerde herinneren. Van de universiteit, die in 1438 te Florence gesticht werd, is alleen de theologische faculteit overgebleven. Tot de belangrijkste scholen behooren er voorts het lycéum, het gymnasium, het conservatorium voor muziek, en de académie van beeldende kunst. Van de 5 openbare boekerijen zijn 3 dagelijks geopend, namelijk de Biblioteca Laurentiana of die der Medici met meer dan 7000 handschriften en vele gedrukte werken uit de 15de eeuw, de biblioteca Magliabechiana met 100000 boekdeelen en 8000 handschriften, en de biblioteca Marucelliana met 40000 deelen.

De twee andere zijn de biblioteca Palatina, het eigendom van groothertog Leopold en na de omwenteling in het palazzo Pitti achtergebleven, en de biblioteca Riccardiana, bepaaldelijk bestemd voor de Accademia della Crusca, doch ook toegankelijk voor het publiek. Het uitgebreide Staats-archief, door zamenvoeging der vroegere archieven, namelijk van de diplomatie, van de Republiek, van de Medici, van de opgeheven kloosters enz., in de Ufficj bijeengebragt, bevat onwaardeerbare schatten voor den geschiedschrijver. Tot de geleerde genootschappen en kunstvereenigingen belmoren er, behalve reeds genoemde Accademia della Crusca (zie aldaar), de Accademia dei Georgofili, aan den landbouw gewijd, een genootschap tot bevordering der belangen van het tooneel, de Società promotrice delle belle arti, welke jaarlijks tentoonstellingen houdt van schilderijen en beeldhouwwerken, de Kunst-académie voor dames, in het laatst van 1871 geopend onder het bestuur van mevrouw Fries, eene Zwitsersche schilderes, en de Società fïlarmonica. Van 12 schouwburgen zijn er gedurende den carnaval alle en gedurende het overig gedeelte des jaars de meeste geopend; zij worden druk bezocht. Voorts vindt men er onderscheidene inrigtingen van weldadigheid, zooals het groote hospitaal van Sta Maria Nuova, reeds in de 13de eeuw gesticht, 3 andere hospitalen, een krankzinnigengesticht, een vondelingshuis, een blinden-instituut, en vooral de instelling „La Confraternità della misericordia.” Florence werd waarschijnlijk niet lang vóór den aanvang onzer tijdrekening door inwoners van Fiésole gesticht, onder de Lombardische en Frankische heerschappij gewoonlijk door markgraven en hertogen van Lucca bestuurd, en begon te bloeijen in het begin der 11de eeuw, na de verwoesting van Fiésole en vooral na den dood der markgravin Mathilda. Ten tijde der Frankische Keizers en der Hohenstaufen was zij reeds eene magtige stad, die hare poorten voor de Keizers, durfde sluiten.

Gedurende den partijtwist der Guelfen en Ghibellijnen hadden eerstgenoemden er gewoonlijk de overhand; ja, zij werd beschouwd als de banierdraagster der Guelfen in Toscana, tegenover de Ghibellijnsche steden Pisa en Siéna, en tegenover keizer Hendrik VII. Te midden dier oorlogen zagen er de inwoners door handel en nijverheid, door ijver en zelfopofferende vaderlandsliefde den rijkdom en de magt der stad toenemen. De eene Toskaansche stad na de andere onderwierp zich vrijwillig of gedwongen aan het gezag der Republiek aan de Arno. Hare magt breidde zich uit, toen na den dood van Conradijn die der Ghibellijnen verdween en de bloei van Pisa verminderde. Eindelijk, door voortdurende burgertwisten afgemat, kwam zij onder het bewind der Medici (zie aldaar), een geslacht van rijke kooplieden. Cosimo (Cosmus) de Oudere en Lorenzo il Magnifico heerschten zonder titel door den invloed van geld en schranderheid, en bewaarden de republikeinsche vormen.

De nijverheid begon er te verminderen, doch er bestond een aanzienlijke geldhandel, zoodat in de voornaamste steden van Europa Florentijnsche banken verrezen. In 1527 werden de Medici voor de derde maal verdreven, doch door keizer Karel V en paus Clemens VII (Giulio Medici) met geweld van wapenen na eene langdurige belegering weder aan het hoofd der zaken geplaatst, waarna men Alexander Medici tot hertog van Florence uitriep (1531). Zijn opvolger Cosimo I voegde er Siéna bij en noemde zich groothertog van Toscana (1569), waarna de hoofdstad in de lotgevallen deelde van dien Staat (zie Toscana). In 1799 werd zij door de Franschen bezet, in 1800 tot hoofdstad van het koningrijk Etrurië verheven, en tegen het einde van 1807 in het Fransche Keizerrijk ingelijfd, waarna zij in 1814 weder de hoofdstad werd van het Groothertogdom, in 1849 korten tijd onderworpen was aan een Voorloopig Bewind, in 1859 aan Piémont toegevoegd en later met het koningrijk Italië vereenigd werd. Nadat de zetel der regéring naar Rome verplaatst werd, heeft Florence veel van haren uitwendigen luister verloren, doch zij blijft nog altijd de plaats, waar kunst en wetenschap hoog gewaardeerd worden.

De tegenwoordige inwoners der stad zijn vrolijk en beschaafd, matig en vriendelijk, genot- en kunstlievend, maar het ontbreekt hun aan ondernemingsgeest, aan volharding, aan degelijke kennis. Van dit laatste gebrek is het voormalig gemis van goed volksonderwijs de oorzaak. Hun vroegere zucht naar onafhankelijkheid is onder het ontzenuwend bewind der Medici vernietigd. Ook de nijverheid bloeit en niet gelijk weleer. Keurig blijven nog altijd de aldaar vervaardigde voorwerpen van marmer, albast en mozaïek. Voorts trekt de stad groote voordeelen van de talrijke vreemdelingen, die in het voor- en najaar derwaarts trekken. Merkwaardig is eindelijk Florence wegens de vele beroemde mannen, die zij heeft opgeleverd, van welke wij noemen: Dante, Boccaccio, Michele Angelo, Machiavelli, Amerigo Vespucci, Benvenuto Cellini, Giotto, Andrea del Sarto, Ghiberti en Brunelleschi.

Laatst bijgewerkt 07-08-2018