Dacië betekenis & definitie

Dacië, een voormalig Romeinsch wingewest, bevatte het land tusschen de Theisz, de Donau, de Proeth, den bovenloop van de Dniestr en het Karpatisch gebergte, alzoo het oostelijk gedeelte van Hongarije, Siebenbürgen, Walachije, Moldavië en Boekowina. De bewoners, Daciërs (Daci) genaamd en tot den Thracischen stam behoorende, waren reeds vóór den tijd van Alexander de Groote derwaarts getrokken. Gedurig kwamen zij, vooral onder Decébalus, het Romeinsch grondgebied verontrusten, totdat zij in den aanvang van de 2de eeuw onzer jaartelling door Trajanus overwonnen werden. De Keizer veroverde er de hoofdstad Sarmizegethusa en voerde een aantal kolonisten derwaarts, zoodat alleen in het noordelijk gebergte vrije Daciërs gevestigd bleven.

In de 3de eeuw verschenen er de Germanen, weshalve keizer Aurélianus in 274 de Romeinsche kolonisten overbragt naar Moesië, door hem Dada ripensis genoemd. In de 4de eeuw werd het oostelijk gedeelte des lands door de Gothen en Roxolanen, en het westelijk gedeelte door de Sarmaten overweldigd. De laatste 2 stammen bleven er vermengd met de Latijn-sprekende Daciërs, en hunne nakomelingschap vormt de hedendaagsche Walachen of Roemenen, die eene Romaansche taal gebruiken.

Laatst bijgewerkt 06-08-2018