Cultuur betekenis & definitie

Cultuur, afkomstig van het Latijnsche colere (verzorgen), noemt men de moeite, aan eenig voorwerp of aan eenig vermogen besteed, om het te veredelen, of ook wel die veredeling zelve. Men cultiveert zoowel den akker als het verstand, doch de hoogste cultuur is de veredeling van den mensch door eene harmonische ontwikkeling van zijn aanleg, van al zijne vermogens en krachten. Hierin onderscheidt zij zich van de beschaving (zie aldaar), die volgens de beteekenis van het woord eene oppervlakkige kan zijn. Door cultuur ontwikkelt men 's menschen zedelijken, verstandelijken en kunstvaardigen aanleg.

De zedelijke cultuur omvat den staatkundigen, godsdienstigen en maatschappelijken toestand van een volk met zijn gezellig verkeer, zijne zeden en gewoonten, — de verstandelijke zijne taal en letterkunde en de gesteldheid van zijn onderwijs, — en de kunstvaardige zijn landbouw, nijverheid, handel, scheepvaart, den toestand van zijne middelen van verkeer, de beoefening der schoone kunsten enz. Het onderzoek der ontwikkeling van het menschelijk geslacht in die verschillende rigtingen is het onderwerp der cultuurgeschiedenis, die uit verschillende deelen is zamengesteld, namelijk uit de geschiedenis der taal, der uitvindingen, der regtspleging, der regéringsvormen, der wijsbegeerte, der kunst, der maatschappelijke bedrijven, der levenswijze enz. Cultuurvolkeren noemt men zoodanige, die zich door een hooger standpunt van ontwikkeling van de natuurvolkeren onderscheiden. De stelling van Rousseau, dat de mensch door cultuur bedorven wordt, rust op den valschen grond, dat de mensch oorspronkelijk als zedelijk wezen volmaakt is, en het kan niet geloochend worden, dat ook het zedelijk beginsel eene zorgvuldige cultuur noodig heeft. Wordt deze verwaarloosd, dan verkrijgen de booze hartstogten de overhand.

Gepubliceerd op 06-07-2018