Christendom betekenis & definitie

Christendom (Het) is de godsdienst, door Jezus Christus (zie onder Jezus) gesticht en omvat alzoo aan de eene zijde de leer, de instellingen en beloften, door Hem aan de menschheid geschonken, en aan de andere zijde de toeëigening daarvan door de menschheid en het hieruit voortvloeijend godsdienstig leven.

Het Christendom wijst den mensch als individu op het ideaal, hetwelk hij in Christus en in God zelven leert aanschouwen, — het wijst hem tevens, als deel der menschheid, op de ideale volkomenheid van deze. Het Christendom heeft alzoo de bestemming, om de geheele zamenleving in al hare toestanden , instellingen en deelen te doordringen en daarop den goddelijken stempel der heiliging te drukken. Vandaar het denkbeeld van een Koningrijk Gods, hetwelk de stichter des Christendoms op aarde wilde doen verrijzen.

Dat Koningrijk, waarvan alle menschen burgers moesten worden, zou zich niet kenmerken door uitwendige vormen, maar door eene aanbidding in geest en in waarheid, door eene gemeenschap met God in het licht der reinste liefde, waarin degene wandelt die naar de volmaaktheden streeft des Allerhoogsten. Het hoofdbeginsel in het Christendom is het gelijkvormig-worden zijner belijders aan God, die zich als een vader openbaart, zoodat de menschen, als zijne kinderen, als van zijn geslacht en naar zijn beeld geschapen, van heerlijkheid tot heerlijkheid opklimmen en zijner waardig wandelen.

Dit moet vooral blijken in hunne liefde, die het ware, schoone en goede omvat en de Christenen in de eerste plaats met God, wiens wezen liefde is, en vervolgens met hunne medemenschen, met hen kinderen van denzelfden vader, op het naauwst verbindt. Zoo vormt de geheele menschheid eene heilige vereeniging van broeders en zusters.

Christus heeft geenszins leerstellingen gegeven, maar den mensch opmerkzaam gemaakt op zijne bestemming en hem tevens in zijn eigen persoon het ideaal aangewezen, waarnaar hij zich moest vormen. Hij noemt zich daarom bij uitnemendheid den zoon van God en roept alle kinderen Gods op, om tot de hoogte zijner volkomenheid op te klimmen. Hjj nam in zijne dagen de menschen, zooals ze waren, met hunne gebreken, dwalingen en vooroordeelen, maar hij zocht hen daarvan te reinigen. Hij verbrak de doode vormen der zinnelijkheid en drukte den stempel van zijn geest op de gewaarwordingen en de heiligste behoeften des harten.

Het is alzoo duidelijk, dat wjj het Christendom als eene godsdienst der volkomenheid mogen beschouwen, al is het ook in de verschillende wijze, waarop het door de menschen opgevat en beleden wordt, niet voor allen eene volkomene godsdienst te noemen. Gelijk het Christendom voorts het geheele wezen van den mensch doordringt, zoo strekt het zich uit tot al de uitingen van ’s menschen geest, tot den Staat, tot de wetenschap, tot de kunst, zonder echter aan deze hunne zelfstandigheid te ontnemen of er iets van zijne eigene zelfstandigheid aan ten offer te brengen. Omdat het Christendom geene vormen kent, kan het jegens alle vormen — mits deze niet doodelijk zijn voor den geest — verdraagzaam wezen, maar tevens zoekt het op elk gebied de volkomenheid te bevorderen.

Daarbij belemmert het geenszins de individuéle vrijheid, zoodat een opklimmen in volmaaktheid steeds vergezeld gaat van strijd, waarin de tegenstand van dwaling, vooroordeel en zonde tot eene volharding prikkelt, die de overwinning wegdraagt.

Uit deze opmerkingen kan men de geschiedenis van het Christendom verklaren. Het nieuwe tijdperk, waarin alle menschen, zonder onderscheid van volkeren of stammen, zich tot één koningrijk zouden vereenigen, werd ingewijd in den tempel te Jerusalem op het eerste Christelijke Pinksterfeest. Aldaar verrees de eerste gemeente der geloovigen, dat is derzulken, die met volkomene overtuiging des gemoeds aannamen, wat door Christus aan de menschheid verkondigd was. Weldra werd de aanvankelijke naam dier geloovigen, namelijk die van Gallilaeërs of Nazareners, te Antiochië door dien van Christenen vervangen.

Al dadelijk sloot zich het Christendom, wegens gemis van een eigen vorm, aan twee vormen aan: vooral onder de leiding van Petrus ontstonden de Israëlietisch-Christelijke gemeenten, wier leden zich hielden aan de Wet van Mozes,en onder die van Paulus de Heidensch-Christelijke, wier leden alle Israëlietische instellingen verwierpen, maar des te meer den invloed ondervonden van Heidensche gebruiken en Heidensche wijsbegeerte. Beide rigtingen vereenigden zich echter tegen het einde der 2de eeuw door wederzijds wat toe te geven en vooral door de gemeenschappelijke leer, dat Christus als een mensch geworden wezen van hoogeren rang (logos) moest worden gehuldigd.

De vereeniging der Heidensche en Israëlietische rigting was tevens die van algemeenheid, welke eene algemeene verspreiding van het Christendom, en van eenheid, die het vaststellen eener bepaalde leer beoogde, welke laatste dan als de alleen ware moest worden beleden. Hieruit ontstond wederom de priesterlijke stand, als bewaarder dier leer en als bij uitnemendheid begiftigd met den heiligen geest, en tevens de uitsluiting van alle andersdenkenden uit de Katholieke of algemeene Kerk.

Niet de vrijmaking des geestes, maar de onderwerping van dezen aan de priesters, — niet het vernietigen der zelfzucht, maar der vrijheid van wil, — niet de verheerlijking des aardschen levens door liefde en geregtigheid, maar de versmading der wereld,— niet de verzoening van den geest en het stof, maar hunne verwijdering — ziedaar het kenmerkend verschil tusschen het Christendom, gelijk het door Jezus verkondigd was, en het Christendom, gelijk het tegen het einde der 2de eeuw werd opgevat, terwijl voorts Christus zelf niet gehuldigd werd als het ideaal der menschheid, maar als een mensch geworden hooger wezen.

Geen wonder, dat daarbij de aanvankelijk zuiver democratische vorm der gemeenten een aristocratische werd, en ten laatste al de belijders van het Christendom zich voor den wil van een monarch — en wel van een monarch op geestelijk gebied — moesten buigen.

Behalve de eigenaardige voortreffelijkheid van het Christendom in een tijd, waarin de denkbeelden omtrent ’s menschen bestemming nog weinig waren ontwikkeld, droeg ook de geloofsvervolging (zie onder dit woord) niet weinig bij tot zijne verspreiding. Tegelijk met deze traden bij zijne aan vormen gebondene belijders ook meer en meer bepaalde vormen te voorschijn. De leer, het geloof, de inrigting der kerk, het Christelijk leven — dat alles ontving eene meer geijkte gedaante.

Men hield oecumenische conciliën (algemeene vergaderingen), waarin het onzekere tot zekerheid werd gebragt. In de Westersche Kerk handelde men over de natuur van Christus en over zijne plaats in de Drieëenheid (zie onder Christologie,) en in de Oostersche over de betrekking van Gods genade tot ’s menschen vrijen wil (zie onder Augustinus en Pélagius).

Ook de OudPerzische dualistische (tweeledige) voorstelling van een God en een oorspronkelijk boos wezen werd op den voorgrond geschoven en in het geloof opgenomen, — de naauwgezetheid van het Christelijk leven veranderde in eene verachting der wereld, — de eenvoudigheid der eeredienst werd naar het voorbeeld der Jerusalemsche tempeldienst door een zamenstel van plegtigheden vervangen, — doop en avondmaal verkregen, in plaats van zinnebeelden te wezen, eene geheimzinnige kracht, — de gedachtenisfeesten namen toe, — de martelaren werden heiligen, — en de glans, schitterend om het hoofd van den Christus, wierp zijne stralen desgelijks op Maria. Tusschen die vormen was ruimte genoeg voor velerlei bijgeloovige, dweepzieke en grof-zinnelijke voorstellingen.

Uit een drietal denkbeelden, namelijk die der eenheid, der alleenzaligmakende kracht en der onfeilbaarheid van de Katholieke Kerk, ontstond de „heerschappij van den Heiligen stand (Hiërarchie)”. De bisschoppen werden opvolgers der apostelen, en onder hen werd in het Westen de eerste rang (het primaat) toegekend aan den bisschop te Rome, dien men er als opvolger van Petrus en als erfgenaam van diens gezag beschouwde.

Na een hevigen strijd met de Heidensche priesters, de Heidensche wetenschap en het Heidensche staatsgezag , werd het Christendom eindelijk door Constantijn I en Theodosius I tot staatsgodsdienst verheven, en hierdoor ontstond een nieuw Romeinsch rijk. Nu betoonden de Christelijke priesters hunne onverdraagzaamheid niet alleen jegens andersdenkenden, maar ook jegens de kostbaarste gedenkteekenen van Heidensche kunst en wetenschap.

Het nieuwe Romeinsche rijk moest een Christelijke Staat wezen, en Constantijn verklaarde, dat het oordeel der priesters het oordeel Gods was. Hij schonk aan de Kerk vrijdom van belastingen en van de krijgsdienst, eene eigene regtspleging en een groot aantal andere voorregten, zoodat de hiërarchie zich eerlang in het bezit zag gesteld van groote schatten, terwijl zij tevens aan den Keizer veroorloofde, de teugels van het wereldlijk oppergezag in handen te houden.

Een en ander was echter niet in staat, te verhinderen , dat vele Heidensche denkbeelden in de Kerk binnenslopen en dat vele uitwendige plegtigheden der Heidenen er eene plaats vonden. Vooral in het Oosten — het land der weelde — omgaf zich de hiérachie met grooten luister, en het patriarchaat te Constantinopel was er weldra het middelpunt der Kerk. Het werd met de Keizerlijke waardigheid verbonden, en hierdoor de Kerk tot eene Hof-kerk vernederd, die niet vrij bleef van de smetten van het Hof, en vervolgens de kracht verloor om zich op te heffen uit den toestand, waarin zij van de 4de tot de 8ste eeuw door de besluiten der Conciliën en de voorschriften der Keizers gebragt was. Haar lot was en bleef met dat van het Byzantijnsche rijk verbonden.

Hooger trap van ontwikkeling bereikte het Christendom in het Westen. Het hield er zich onafhankelijk van het staatsgezag, ja, het streefde er naar, dit laatste in zich op te nemen. Rome was er het middenpunt der Kerk, en vanhier breidde deze zich aanvankelijk uit over Italië en vervolgens over Gallië en Germanië, waar krachtige, doch weinig ontwikkelde volkeren in de 3de en 4de eeuw het Christendom begonnen aan te nemen, hetwelk in zijn toenmaligen vorm, in den glans zijner wonderverhalen en plegtigheden, juist geschikt was, om indruk te maken op die ruwe gemoederen.

Het werd omhelsd door de Gothen, Vadalen, Suéven, Bourgondiërs en Longobarden, en voor hen neemt een nieuw tijdperk, dat der Christelijke beschaving, een aanvang, hoewel vele Heidensche gewoonten, plegtigheden en vooroordeelen in gewijzigde gedaante in het Christendom werden opgenomen.

Weldra zag de Kerk, als vertegenwoordigster van het Christendom, zich genoodzaakt, hare verhouding te regelen tot het Keizerschap. Reeds Karel de Groote beschouwde zich als het opperhoofd der Christenheid, zoowel in geestelijken als in wereldlijken zin, doch de Paus verklaarde, dat niemand anders het opperhoofd was dan hij, en dat zijn gezag zoo hoog boven het staatsgezag stond als het hemelsche boven het aardsche.

Dat streven der hiërarchie, om zich boven Keizers en Koningen te plaatsen, vinden wij door al de middeleeuwen en veroorzaakte den strijd tusschen Rome en de Duitsche Keizers, die vooral woedde in het tijdperk der Hohenstaufen, ten voordeele van Rome scheen te eindigen, doch ten gevolge had, dat de Staat zich meer en meer tot zelfstandigheid verhief. Daarmede was het streven van de pausen verbonden naar een onbepaald gezag in de Kerk, hetwelk zich vooral ten tijde van Innocentius III (1198 tot 1216) openbaarde.

Ongehoorzamen werden met ban en interdict gestraft. De Kerk, als opvoedster der volkeren en in het bezit van alle geestelijke, tijdelijke en eeuwige voorregten en gaven, was de voornaamste magt in de middeleeuwen, en al moest zij nu en dan bukken voor ruw geweld, toch bekleedde zij eene eerste plaats in de harten der geloovigen.

Inmiddels werkte de magt der denkbeelden, op den bodem des Christendoms onder de massa der latere vormen verborgen, onwederstaanbaar op de gemoederen der bewoners van Midden-Europa. Er viel goed zaad op den akker van het gezond verstand; het nadenken over velerlei verborgenheden ontwikkelde er den geest, en de wetenschappelijke voortbrengselen van het oude Griekenland en Rome werden er meer en meer op prijs gesteld.

Het Christendom verspreidde zich van daar noordwaarts naar Skandinavië en oostwaarts naar de Slawische landen. De naijver van den paus en van den patriarch te Constantinopel veroorzaakte in 1053 eene scheuring der Kerk, wier 2 deelen zich voortaan met den naam van Roomsch-Katholieke (Latijnsche) en GriekschKatholieke (Grieksche) bestempelden. In het Oosten ontstond voorts de worsteling tusschen het Christendom en den Islam, en eerstgenoemde stelde zich schadeloos voor het verlies van Constantinopel door de bekeering van geheel Rusland.

Het eigenaardige van het Christendom in de middeleeuwen is eene onbeperkte heerschappij van het gevoel, zoodat het zich zoowel door eene grof-zinnelijke als door eene ideale rigting onderscheidde. De zinnelijke vroomheid geloofde in allerlei wonderen, vernederde de godheid tot menscheljjke gewaarwordingen, vergoodde den mensch en huldigde vooral de moeder van Jezus als de maagdelijke moeder Gods.

Men verachtte de wereld en leidde in de kloosters een weelderig leven. De eeredienst vermeidde zich in zinnelijke vormen, en de geheele godsdienst werd als het ware in de mis geconcentreerd, terwijl bouw- en schilderkunst zich in dienst der Kerk ontwikkelden. Naast het onfeilbaar gezag der Kerk ontstond echter in de scholastiek dat der vrije gedachte, doch daartegenover verhief zich de mystiek, als de vertegenwoordigster van het gevoelsleven en van de dweepzieke verbeelding.

De eerste ontaardde evenwel in haarkloverij, doch bij het herleven der classieke letterkunde in de 15de eeuw, die het humanismus of eene algemeene menschelijke ontwikkeling bevorderde, ontstond allengs buiten de hiërarchie eene wetenschappelijke magt. De volkeren begonnen hunne meerderjarigheid te gevoelen en de voogdijschap moede te worden eener Kerk, die ver van de oorspronkelijke eenvoudigheid des Christendoms was afgeweken.

Er werden pogingen aangewend, om haar te hervormen; die pogingen gingen gedeeltelijk uit van tegenstanders der Kerk, wier revolutionaire bewegingen weldra door de inquisitie werden onderdrukt (Arnoldisten, Katharen, zusters van den vrijen geest enz.), gedeeltelijk van bezadigde kerkleeraars, van welke sommigen de Kerk in de Kerk wilden hervormen, (Pierre d'Ailly, Gerson, Erasmus), terwijl anderen, verontwaardigd over de vervalsching des Christendoms in de Kerk, zich geheel en al van deze wilden afscheiden (Wiclef, Husz, Luther, Zwingli, Calvyn, Menno Simons).

Die pogingen, om zich van de banden der Kerk los te maken, gelukten door de Hervorming (zie onder dit woord) in de 16de eeuw. De Roomsch-Katholieke Kerk bleef echter haar gezag handhaven; wèl had zij op het Concilie van Trente (1545 tot 1563) veel in hare verordeningen gewijzigd, doch zij had tevens op hare middeleeuwsche leerstellingen het zegel der onfeilbaarheid gedrukt en die van het Protestantismus als dwalingen met het doemvonnis gebrandmerkt.

Zij gevoelde zich dan ook verpligt, de afgedwaalden door overreding of geweld in den schoot der Moederkerk terug te brengen, waartoe de pas gestichte orde der Jezuïeten bereidvaardig hare hulp verleende. De aanhangers van hen, die op wetenschappelijke gronden de leer der Kerk bestreden (Hermesianen, Jansenisten), werden vervolgd en verdrukt.

De poging van Jozef II, om de Kerk op zijn grondgebied van den invloed van Rome los te rukken en haar tot eene school voor volksverlichting te verheffen, leed schipbreuk, doch zijne grootsche gedachte blijft voortleven. Onderscheidene vorsten sloten nu concordaten met den Paus, em de betrekking tusschen de Kerk en den Staat te regelen.

Het Christendom had alzoo in het Protestismus een nieuwen vorm verkregen. Dit laatste breidde zich weldra uit over half Duitschland, Zwitserland, de Nederlanden, Engeland en Schotland, Denemarken, Noorwegen,Zweden, een groot gedeelte van Frankrijk, van Hongarije en van Polen, doch verdeelde zich aanstonds in twee groote kerkgenootschappen, dat der Hervormden (door Zwingli en Calvijn) en dat der Luterschen (door Luther en Melanchton). In ons Vaderland schoot het eerste het voorspoedigst wortel, en daarnaast ontwikkelde zich de kleine kerkgemeenschap der Doopsgezinden onder de leiding van Menno Simons, en vervolgens die der Remonstranten.

De Protestantsche Kerkgenootschappen, hoe ook genaamd, kwamen intusschen daarin aanvankelijk overeen, dat de Bijbel beschouwd moest worden als de eenige kenbron en het eenig rigtsnoer voor het Christelijk geloof en leven, en dat het vrije onderzoek des Bijbels moest worden gehandhaafd. Ieder Christen werd daardoor bekleed met de bevoegdheid, om de gewijde schrift uit te leggen, en het is daarom niet vreemd, dat er allengs een groot aantal Protestantsche secten ontstond. Vele van die secten hebben hun toenmalig geloof in belijdenisschriften nedergelegd en alzoo gedeeltelijk hun eigen beginsel met voeten getreden door aan anderen op te leggen, te gelooven, wat zij voor waarheid hielden.

Na geweldige twisten over de leerstellingen in de 16de en na eene dorre, onverdraagzame regtzinnigheid in de 17de eeuw, volgde in de l8de een tijd van critiek, van bespiegeling, van worsteling tusschen het oude geloof en de jeugdige wetenschap, tusschen rede en openbaring. Herder en Schleiermacher zochten die worsteling in eene verzoening op te lossen. Zij hebben de godsdienstige verlichting gered van den afgrond, waarin zij dreigde weg te zinken, en tevens van eene elders heerschende ligtzinnigheid (encyclopaedisten), die een noodlottigen invloed had op het Christelijk leven. Voorts hebben zij de grondslagen gelegd voor eene Christelijke wereldbeschouwing, die aan de ontwikkeling van ’s menschen geest de grootste vrijheid vergunt, zonder daarbij te vervallen tot onverschilligheid jegens het Christendom.

Dit laatste behoudt voor de menschheid zijne hooge waarde en zijn degelijken inhoud, al is het ook, dat deze op verschillende trappen van menschelijke beschaving zich in verschillende vormen vertoont. In deze rigting schrijden de vrijzinnige vereerders van het Christendom in onze dagen voorwaarts; zij zoeken het aan de dorre stelselzucht te ontrukken, om het dienstbaar te maken aan de opvoeding der menschen tot waardige kinderen Gods.

Groot is de invloed van het Christendom tot bevordering van beschaving en verlichting, tot ontwikkeling van het echt-menschelijke en tevens van het goddelijke in den mensch. De opbeuring der vrouw uit een toestand van vernedering, de afschaffing der slavernij, de weldadige liefde, die zich in duizende gestichten tot leniging van den nood der hulpbehoevende openbaart, het aankweeken van zedelijkheid en deugd, — dat alles hebben wij aan het Christendom te danken, — en het is te verwachten, dat het in nog edeler gedaante ons van den geesel des oorlogs, van overdrevene weelde aan de ééne en diepe armoede aan de andere zijde, en van alle kronkelingen van den logen verlossen zal.

Daarom beijveren zich velen, om buiten ons werelddeel de Heidenen bekend te maken met de voorregten des Christendoms, die door slechts 300 millioen zielen — omstreeks 1/4de van de bevolking der geheele aarde — worden genoten.

Laatst bijgewerkt 04-07-2018