Boeotië was in ouden tijd de naam van een gedeelte van Griekenland, hetwelk Thebe tot hoofdstad had. Deze lag in Neder-Boeotië, terwijl zich in Opper-Boeotië de steden Cheronéa, Plataea, Coronéa, Thespia en andere bevonden.
Tot de voornaamste bergen behoorden er de Hymettus, de Cytheron en de Helicon, en tot de belangrijkste rivieren de Asopas, de Cephisus en de Ismene. Boeotië is beroemd geworden door de Thebaansche heerschappij en door de rampen van Oedipus en diens zonen, en heeft een tijdperk van luister gekend onder de veldheeren Pelodipas en Epaminondas (zie onder deze namen).
De inwoners van Boeotië werden beschouwd als lomp en onvatbaar voor de Attische beschaving. De aard van den grond leidde hen tot landbouw en veeteelt en niet tot de beoefening van kunst en wetenschap. Toch was er de toonkunst ongemeen in eere en heeft het talrijke dichters, dichteressen, geschiedschrijvers enz. opgeleverd, zooals Myrtis en Corinna, Sesiodus, Pindarus, Plutarchus en Cebes. Tevens heerschten er deugd en goede zeden, al was het volk ook niet bestemd, om eene belangrijke staatkundige rol te vervullen.